Resten van middeleeuwse muren
vindt men echter ook nog terug in Zwolle, Zutphen,
IJsselstein, Culemborg, Deventer en Maastricht. In veel andere
oude steden zijn de stadsmuren echter helaas verdwenen en staan (Delft,
Enkhuizen) alleen nog nog torens en poorten die er deel van uitgemaakt hebben overeind. In
Delft (Oostpoort), Woudrichem, Dordrecht (Cathrijnenpoort en Groot Hoofdspoort), Gorinchem (Dalempoort), Enkhuizen, Amsterdam,
Zierikzee en een paar andere steden zijn één of meer oude stadspoorten echter wèl
bewaard gebleven. Bijzonder is dat Kampen de oude verdwenen stadsmuur weer opnieuw
opbouwt (compleet met toren bij de Oude Haven). Niet alleen uit toeristisch oogpunt, maar
ook omdat deze muur de oude binnenstad moet beschermen bij hoog water.
Den Haag mocht dus omstreeks 1550 ook zo'n muur gaan
bouwen, compleet met torens en poorten.
De bewoners moesten het geld wel zelf bij elkaar brengen, maar aangezien Den Haag al voor
de gouden eeuw een groot aantal welvarende inwoners had (waarvan er veel 'blauw bloed'
hadden), bleek dat geen groot probleem te zijn. Het geld was ingezameld, men had
toestemming van Delft, Leiden en de andere steden en ook het Spaans gezag had geen
bezwaar.
Men kon dus beginnen, maar hoe goed je ook zoekt, nergens
zul je in deze stad de resten vinden van een stadsmuur. Het bestuur van Den Haag
vertrouwde er op dat de Spanjaarden (de machthebbers) een tweede plundering van Den Haag
niet zouden laten gebeuren. Een grote militaire aanwezigheid zou aanvallers wel
afschrikken en een muur was eigenlijk helemaal niet zo mooi. Sterker nog, stadsmuren waren
in vredestijd vooral erg lastig.
De Vestingsteden van Holland hadden bijna geen groei mogelijkheden. De stadsmuren zaten
als een knellend harnas om de bebouwing heen. Even de muur afbreken en iets verderop weer
opbouwen gebeurde maar zelden (Amersfoort / Maastricht en Amsterdam). Het bouwen van een
muur was zeer kostbaar.
Omdat een muur afbreken en opnieuw opbouwen te kostbaar
was, moest er zuinig worden gedaan met de beschikbare ruimte. Men bouwde de huizen in de
steden daarom dicht op elkaar, dwz de straten in die steden waren vaak zeer smal en er was
bijna geen ruimte voor tuinen. In geval van brand waren de gevolgen van die bouwwijze
natuurlijk rampzalig. De vlammen sloegen gemakkelijk over en het kwam voor dat de helft
van een stad werd verwoest (bijv. na een blinksem inslag). Dit overkwam onder andere Delft
en Enschede.
Den Haag had daarentegen -in het verleden- alle
ruimte om te groeien. Het was een dorp met het inwoneraantal van een stad, en er waren
ongekend brede straten zoals het Lange Voorhout en achter de
huizen was ruimte voor uitgestrekte tuinen.
Het stratenplan van Den Haag oogste bewondering in binnen-
(Holland) en buitenland (de overige Nederlanden en Europa).
Stadsmuren waren dus zeker niet populair. Dat is ook de
reden dat ze vrijwel overal in Nederland snel werden afgebroken, nadat ze hun
functie hadden verloren in de 19e eeuw. Vaak kwam er een groen 'stadspark' voor in de
plaats.
Muur of Stadhuis
Nood brak echter wet en men zamelde in 1550 / '51 geld in
voor Haagse stadsmuren. Dat door de burgers van Den Haag ingezamelde geld werd echter niet
gebruikt voor de bouw van een hoge stadsmuur. Het gemeentebestuur liet van dat geld een
indrukwekkend Raadhuis bouwen.
Toegeven, het is één van de mooiste stadhuisjes van
Holland geworden (hoewel het Stadhuis van Gouda natuurlijk het
allermooist is), maar er bleef na de bouw daarvan geen geld over om ook maar de meest
eenvoudige verdedigingswerken te bouwen. Er kwam zelfs geen wal van hout.
Het feit dat er geen verdedigingswerken werden gebouwd
bleek al snel een kapititale blunder te zijn, want enige jaren later was het oorlog en
kwam het gemis aan muren Den Haag en haar inwoners zeer duur te staan.
Dit doet vermoeden dat de opstand voor Den Haag als een
totale verrassing kwam. Wellicht was dat ook zo voor heel veel inwoners van de
Nederlanden. De opstand begon eigenlijk vooral als een strijd tussen de Hollandse Adel en
(steeds meer) Steden tegen de machthebbers uit Spanje. De opstand was in het begin nog
zeer kleinschalig. Prins Willem van Oranje en zijn broers veroverden een paar steden en
rukten zelfs op naar Brussel, maar na een voorspoedig begin van de strijd volgden harde
klappen.
De Spanjaarden hadden meer troepen en bovendien ook de
steun van de lokale bevolking. Die zaten -zoals zo vaak- niet te wachten op radicale
veranderingen.
Ook de Beeldenstorm waar we zo
veel over gehoord hebben op school, was vrij georganiseerd. Er werd -voordat men begon te
'stormen'- netjes toestemming gevraagd aan de stadsbesturen. Soms werd een 'storm' niet
goedgekeurd en dan trok men (echt waar) gewoon verder naar de volgende stad, zonder ook
maar een beeld aan te raken. Ook in Den Haag verliep alles rustig en kalm. De beelden
verdwenen wel uit de Grote Kerk, en andere Katholieke
Godshuizen, maar dit gebeurde zonder al te ruw breek- en hakwerk.
De opstand had als een nachtkaars "uit" kunnen
gaan. Het heeft niet veel gescheeld of dat was ook daadwerkelijk gebeurd. Enkele
Nederlanders zagen echter hun kans schoon om tijdens de chaos (die opstand toch wel met
zich meebracht) te gaan plunderen. Dat was een eenvoudige manier om geld binnen te halen.
Hollandse steden en dorpen waren rijk. De Gouden Eeuw was al begonnen. Deze Nederlanders
verenigden zich en gingen de zee op.
Ze noemden zich de watergeuzen. Het woord "Geus"
was eigenlijk een scheldwoord. Het was een verbastering van een frans woord dat
"bedelaar" betekent. Toen lieden van adel bij de Spaanse Voogdes op bezoek waren
gegaan om te vragen om meer Godsdienstvrijheid, was ze daar vrij nerveus van geworden.
Één van haar adviseurs heeft toen in het Frans tegen haar gezegd dat ze niet bang hoefde
te zijn, omdat dit 'slechts bedelaars' ('geux') waren zonder macht. Dat werd zo hard
'gefluisterd' dat de Hollanders het konden verstaan en zij noemden zich vanaf dat moment
"Geuzen".
De watergeuzen waren een stelletje ongeregeld. De plaatsen
langs de kust waren vrijwel allemaal nog in Spaanse handen en de Watergeuzen vielen hier
regelmatig binnen. Het feit dat de steden in Spaanse handen waren betekende vaak niet dat
er Spanjaarden op het Dorps- of Stadhuis zaten, maar Nederlanders die loyaal waren aan de
Spaanse koning. We zouden dat collaborateurs kunnen noemen. Echter -zoals uit de tekst van
ons volkslied wel blijkt- ook de Prins van Oranje wilde eigenlijk trouw blijven aan de
Spaanse Koning. De Prins en zijn volgelingen waren niet tegen de Spaanse Koning, maar
tegen de strenge godsdienst wetten.
De watergeuzen hadden geen duidelijke politieke motieven.
Het ging ze in het begin vooral om geld.
Ze roofden, verkrachten en moorden er op los en vertrokken
dan weer snel naar zee. Dat ze zich daarbij niet lieten afschrikken door muren bleek in
Den Briel. Deze stad werd eveneens aangevallen, maar toen de Geuzen er vervolgens ook
bleven en de Vlag van de Prins van Oranje boven de muren van de stad lieten wapperen,
begreep de Prins dat hij wellicht met deze piraten kon samenwerken. Vanaf dat moment
werkten Watergeuzen en de huurlingen legers van de Prins steeds vaker samen en daardoor
kregen de Spanjaarden het een stuk lastiger.
Bovendien joeg de Koning van Spanje er tijdens andere
oorlogen (Italië en Frankrijk) veel geld doorheen. Het kwam steeds vaker voor dat de
Spaanse soldaten geen soldij ontvingen en dat was niet echt goed voor het moreel. Ook
werden de Spaanse legers regelmatig weggeroepen om in die andere oorlogen te gaan vechten.
Den Haag was een rijke plaats en omdat er geen muren waren
werd het dorp regelmatig door de Geuzen bezocht. Ook Spanjaarden die niet op tijd waren
uitbetaald kwamen regelmatig buurten.
Huizen werden afgebrand en de bewoners werden massaal op de
vlucht gejaagd. Met dit soort gedrag maakten de strijdende partijen zich niet echt
populair. Omdat de Spanjaarden zich echter nog beestachtiger gedroegen dan de Geuzen en de
Prins van Oranje bovendien zijn best deed om de Geuzenlegers in ordelijke troepen te
veranderen, groeide de aanhang van de Prins van Oranje toch met de dag.
Den Haag had omstreeks 1570 een aanzienlijk deel van Haagse
Bos laten kappen. Men wilde het hout gebruiken voor een soort verdedigingswal. Er werd
iemand gevonden die de wal wel wilde maken, maar vervolgens kwam die man nooit meer
opdagen.
Het hout lag dus netjes aan de rand van het dorp, maar er gebeurde niets mee. Zodat de
Spaanse troepen in september 1573 Den Haag vrij makkelijk konden bezetten Françisco de
Valdez, de legeraanvoerder, nam zijn intrek in het Haagse Binnenhof. Hij liet de wallen en
versterkingen aan de oostkant van Den Haag aanleggen en uitbreiden. Zijn troepen legden
een Beleg rond leiden
Heet duurde tot 22 maart 1574 alvorens dat Beleg van Leiden
werd gebroken. De Spanjaarden trokken zich terug uit Leiden en Den Haag. Korte tijd later
keer keerden ze echter weer terug. In oktober werden de Spanjaarden wederom verjaagd. Het
beroemde ontzet van Leiden (3 oktober), was dus ook het Den Haags' Ontzet. We vieren dat
echter niet in Den Haag, want de Spanjaarden keerden weer terug naar onze stad. In Den
Haag werd vervolgens op grote schaal geplunderd. Valdez probeerde dit te stoppen, maar
werd door zijn eigen troepen gevangen gezet. De chaos was compleet.
In November trokken de meeste Spanjaarden weg in de
richting van Haarlem. De laatste Spanjaarden werden in juni 1575 uit Den Haag verjaagd.
Burgers van Den Haag begonnen langzaam aan herstel van woningen, maar werden op 22
januari 1576 verrast door een enorme storm en een aardbeving !
Niet veel later ging de hele Vlamingstraat (waar veel
huizen van hout hadden gestaan) in vlammen op. Op de plaats waar eens een groot
nonnenklooster had gestaan werden later huizen gebouwd, die er tot 1750 hebben gestaan.
Toen werden deze ook afgebroken en ontstond een marktplein. We kennen dit plein sinds die
tijd als "Grote Markt".
De plaats waar het hout gekapt was dat gebruikt had moeten
worden voor een primitieve verdedigingswal is 400 jaar later ook nog steeds een lege plek.
We kennen dit stuk van het Haagse Bos nu als Malieveld.
De Spaanse verdedingswerken hebben lange tijd aan de
oostkant van Den Haag gelegen. Er waren in juni 1575 plannen om ze uit te breiden, maar
dat is nooit gebeurd.
Wederom
toestemming voor een Stadsmuur (wal)
Het was duidelijk dat het dorp Den Haag muren nodig had.
Hier werd ook over gesproken in de Staten van Holland en de Staten Generaal. De steden van
Holland waren het ook nu, net als ongeveer 50 jaar eerder, wel eens met de noodzaak van
die muren. Bovendien lag er een brief van Maurits (gestuurd in juni 1600), waarin hij wees
op de noodzaak van een stadsmuur om Den Haag.
Den Haag mocht de muur gaan bouwen, maar alleen als de bewoners het benodigde geld (zelf)
binnen een bepaalde tijd bij elkaar zouden hebben. Niet alleen mocht Den Haag haar muren
bouwen, maar de bestuurders mochten daarna ook zitting hebben in de Staten van Holland en
de Staten Generaal. Den Haag zou eindelijk een volwaardige stad worden.
Dat de bewoners zelf het geld voor een muur
bij elkaar moesten krijgen was niet vreemd. Dat was in iedere stad het geval. Den Haag had
echter bijna geen inwoners meer en absoluut geen geld. Het halve dorp lag in puin en de
rijke bewoners waren bijna allemaal weggevlucht. Door de Opstand en de Pest was het dorp
bijna geheel ontvolkt.
Er werden wel tekeningen gemaakt door een
architect (H. Groll) voor een indrukwekkende verdedigingswal, maar de financiën om de
wallen echt aan te leggen ontbraken. Toen de Prinsen van Oranje besloten om weer in Den
Haag te gaan wonen (na de moord op Willem van Oranje) en ook 's lands regering
terugkeerde, kwamen ook de rijke bewoners weer naar Den Haag. Den Haag wist het geld
uiteindelijk toch bij elkaar te brengen. Het bouwen van de stadsmuren kon beginnen.
De stadsmuren van de 17e eeuw waren echter
heel anders van vorm dan de muren die men voor die tijd gebouwd had. Den Haag zou geen
hoge bakstenen muren krijgen. Tijdens de Opstand werden er namelijk nieuwe wapens ingezet
en deze wapens (kanonnen) maakten 'gatenkaas' van de ouderwetse hoge stadsmuren van steen.
Dat was voor het eerst gebleken tijdens de vervovering van het laatste Romeinse bolwerk in
Europa (Byzanthium) omstreeks 1400. Italiaanse steden waren in de daarop volgende decennia
overgegaan tot het bouwen van een nieuw soort verdedigingswerken.
In plaats van hoge dikke muren, werden er
brede lage wallen van aarde aangelegd. {zie 17e eeuwse Vestingwerken}
Voor de stadswallen lagen vaak uitgestrekte
grachtenstelsels.
Dit alles zou Den Haag aan het begin van de 17e eeuw ook gaan krijgen.
Enkele Haagse straatnamen doen veronderstellen dat de
wallen inderdaad aangelegd zijn: "Prinsessewal"
"Noordwal" en "Zuidwal".
Maar zoals ik in het begin van dit hoofdstuk al aangaf,
heeft Den Haag nooit een volledige ring van stadsmuren of -wallen gehad. Het oude Den Haag
lag op oude duinen. De grachten aan de oostkant groef men daar in. Verder naar het zuiden
en het westen lag een lager gebied. Hier groef men niet, maar wierp men wallen op om het
water rond de stad te laten stromen.
Geen stadsmuren dus.
Den Haag bleef 'open', brug over en je was er...