 |
17e eeuws Den Haag
Haags Groen
Zeestraat & Scheveningseweg
Scheveningse Zeestraet
Ontworpen
door : Constantijn Huygens
Jaar van aanleg : 1665
|
 




|
Scheveningen en Den Haag : Samen en toch (ge)heel apart. Al
sinds de middeleeuwen twee plaatsen met andere sfeer en cultuur.
Al in 1307 bepaalde de graaf van Holland dat Scheveningen
één schepen zou inbrengen in de Haagse schepenbank die zeven vertegenwoordigers telde.
De gehele wet- en regelgeving (zelfs tot aan die van de plaatselijke zeevisserij toe) was
en bleef een Haagse aangelegenheid.
Tot het begin van de 20e eeuw was Scheveningen een
semi-zelfstandig (vissers) plaatsje met een eigen 19e eeuws kuuroord en een 19e eeuws
treinstation, tegenwoordig is Scheveningen vooral een toeristische badplaats met
wolkenkrabbers, casino en de Pier van V/d Valk.
Vanaf de 17e eeuw zijn Scheveningen en Den Haag verbonden
door een verharde weg en die weg, oorspronkelijk de Scheveningse Zeestraat genoemd, is in
1643 bedacht door Constantijn Huygens.
Er waren al wat wegen tussen de twee plaatsen, de Duinenweg
bijvoorbeeld (het deel van die straat dat binnen de singelgracht ligt heet nu Denneweg) en een ander slingerend zandpad dat men het Westersche pad
noemde. Op dit pad begaven zich mensen die om wat voor reden ook naar de zee wilden en
Scheveningse vissersvrouwen met vis die naar de Haagse Vismarkt
(bij de Grote Kerk) gingen. De vis zat in manden en die
manden hadden de vrouwen op hun hoofd.
Als de reizigers of handelaren de zand paden gebruikten was
dat niet alleen lastig om over voort te bewegen (te voet, te paard, laat staan met een
koets), maar ook gevaarlijk vanwege landlopers en rovers.
|
 |
Een dure weg aanleggen voor vissersvrouwen en mensen die
naar het strand/de zee wilden zat er niet in. Zelfs niet aan het einde van de Gouden Eeuw.
Huygens stelde de Zeestraat voor als ideale weg voor
de welgestelden, die dan met de koets naar Scheveningen zouden kunnen rijden, maar dat
vonden de Staten van Holland nog geen goede reden.
|
Wat ik ook mocht pleiten: men praatte ook vol ongeloof over de mogelijkheid, Den
Haag en Scheveningen aaneen te smeden met een weg. Op weg scheen alleen maar
weg, weg! te rijmen; op aaneen echode neen. Mijn
pleidooi werd beschouwd als het ijlen van een zieke; uit die wartaal van mij kon niets
goeds voortkomen. Het zand bedwingen met een klinkerweg: ik stónd erop, maar iedereen
leek over me heen te willen lopen.
Was ik dan geen Hagenaar, en kende ik het zand niet, en wist ik dan niet dat het over
het land stoof, net als de as van de Etna en de Vesuvius, van onderen in beweging gebracht
door de werking van de zee? Kon ik me de winterstormen dan niet meer herinneren? Men zou
morgen aan mij vragen: waar is toch die harde weg, die prachtige straatweg gebleven
die u gisteren heeft aangelegd?
Als los zand hing hun argumentatie aan elkaar. Ik probeerde me te verdedigen tegen wat
men mij voorhield. Zand is zand, pleitte ik, en als er zand op de weg kwam,
dan kon het ook weer afwaaien.
Constantijn Huygens in Zee-Straet
|
Toen men zich echter begon te realiseren dat een verharde
weg naar Scheveningen ook door het Republikeinse leger gebruikt kon worden bij dreiging
van een invasie uit zee besloten de Staten van Holland toch met de aanleg van de weg
akkoord te gaan. Huygens was op dat moment in Frankrijk (er waren al 20 jaar verstreken),
maar keerde snel terug om zijn plannen verder uit te (kunnen ) werken.
De kosten van de aanleg van deze bijzondere weg naar zee
(de eerste verharde weg in de Republiek tussen twee verschillende plaatsen sinds de
Romeinse tijd) waren hoog. Den Haag moest de helft van de aanlegkosten betalen.
Den Haag, officieel geen stad (stadsrechten kreeg het pas
in de 19e eeuw) en derhalve een dorp. Het was echter een dorp met twee burgemeesters en
vanaf de 17e eeuw 2 bierbrouwerijen en alleen steden hadden twee burgemeesters en alleen
steden hadden bierbrouwerijen. Den Haag was derhalve dorp noch stad en kreeg nu ook een
verharde weg naar zee.
Door tol te gaan heffen kon men de kosten van de aanleg van
die bijzondere weg op de gebruikers verhalen. Mensen uit Scheveningen hoefden als zij vis
kwamen brengen geen tol te betalen, maar betaalden wel een soort belasting over de vis die
zij kwamen brengen. Die belasting werd, met toestemming van de Staten van Holland, echter
doorberekend aan de klant.
Het plan van Huygens om een bevaarbare waterweg te graven
naast de Zeestraast, zodat schepen via de Singelgracht naar de
Noordzee konden varen werd niet goed gekeurd. Een stad als Delft moest er niet aan denken
dat Den Haag een directe verbinding kreeg met zee en bovendien was men niet zeker of de
zee wel buiten Holland gehouden kon worden !
|
 |
Toen de Scheveningse Zeestraat gereed was bezat Den Haag
een bijzondere straat die vrijwel kaarsrecht door de duinen naar de zee toe ging. Er waren
er 4.000.000 klinkers in verbruikt. In het midden van de Scheveningse Zeestraat, tussen de
grens van 17e eeuws Den Haag en Scheveningen kwam een plein te liggen.
Dat was erg handig indien er niet alleen een invasie
dreigde (waarbij militairen uit Den Haag naar het strand konden trekken met paarden,
wagens en kanonnen), maar die invasie ook daadwerkelijk plaats vond en de overmacht te
groot was. Dan kon het leger met paarden, wagens en kanonnen op dat plein rechtsomkeer
maken en terug naar Den Haag.
Of het open zetten van de ophaalbrug (Scheveningsebrug)
vervolgens genoeg zou zijn geweest om de overmacht te stoppen hebben we gelukkig nooit uit
hoeven proberen.
De Scheveningseweg is wèl gebruikt door troepen toen er
een vijandige vloot voor Scheveningen kwam te liggen in de 18e eeuw.
De Scheveningse Zeestraat was zijn tijd ver vooruit.
Ruiters, rijtuigen en voetgangers hadden direct bij de aanleg al eigen rijbanen gekregen.
Passeren was geen probleem. De weg was 7,5 meter (precies 2 "roeden" in die
tijd) breed. De klinkers werden bijeen gehouden door houten balken die aan de zijkanten
van de weg waren gelegd. Aan weerszijden van de weg werden vervolgens bomen op heuvels
geplant, om de gebruikers van de weg te beschermen tegen stuifzand. De oude tekening laat
nog duidelijk zien dat de weg dwars door de duinen liep. Alleen ter hoogte van Sorghvliet
was dat minder.
Het moet een bijzondere tocht zijn geweest in de 17e en 18e
eeuw. Ver voor de automobielen en de trams. Geen fiets te bekennen, alleen paarden en wagens, voetgangers op weg naar zee en vrouwen in
klederdracht met manden vol vis op het hoofd, of met lege manden juist weer terug naar
Scheveningen.
Daarnaast was Den Haag natuurlijk het (bestuurlijk) centrum
van de Republiek. Een hoofdstad had de Republiek niet, Amsterdam werd dat pas in 1806, ten
tijde van het Koninkrijk Holland (Koning Lodewijk Napoleon). Vele bezoekers van de
Republiek kwamen naar Den Haag en wie naar Den Haag kwam zal ongetwijfeld die bijzondere
straat naar de zee hebben bekeken en er misschien met een koets overheen gereden hebben
richting zee.
Het zand waarvan Huygens schreef dat het wel weer weg zou
waaien moet er wel altijd geweest zijn. Sliertjes dansend in de wind, net als op het
strand.
De bomen die in een eindeloze rij langs de weg groeiden
lieten nog iets van beschaving zien. Verder vrijwel niets dan Wildernis.
Beschaving ? Ik vermoedt dat ouderen hoofdschuddend hebben
staan kijken naar jongeren die te paard of in een koets wedstrijdjes deden. Het was
natuurlijk ook een mooie racebaan en geen flitscamera te zien. Waarschijnlijk wel wat
militairen. Flanerend met een dame of luid zingend met een groep.
|
 |
Zoals geschreven, het was een hele
bijzondere weg, waarover in de Republiek èn daarbuiten heel wat werd gesproken en waar
bezoekers van Den Haag op af kwamen. Al was het maar om er te gaan staan kijken.
De mooie koetsen die er reden waren vaak van de
welgestelden, maar niet altijd. Fraaie koetsjes konden ook gehuurd worden, inclusief
Koetsier. Deze koetsen stonden opgesteld op het "Scheveningse Veer". De naam van
die kade bestaat nog steeds, tussen Mauritskade en Hogewal.
De straatnaambordjes zijn bijna langer dan de kade zelf.
Ooit stond het daar vol met herbergen. De tocht van
Scheveningen was lang en maakte hongerig en dorstig. Hier werd ongetwijfeld goed verdiend.
Menig vis zal de Visbanken nooit bereikt hebben
Van de herbergen is het roze pand dat nu De Prins Traverne
heet nog over. Hoewel de naam enkele malen gewijzigd is werd er in 1630 al een herberg
gevestigd in dat pand.
Wie vanuit Den Haag kwam (via het Noordeinde,
over de Scheveningsebrug) stond niet direct voor de Tolpoort. Die stond een kleine
kilometer buiten de Singelgracht, in de omgeving van het huidige vredespaleis.
De bebouwing hield ook niet direct op bij de Singelgracht.
Langs het eerste deel van de Zeestraet werd (net als bij de Bierkade
en 'over de Bierkaay' [nu Groenewegje]) al voor 1700 gebouwd. Er verschenen herbergen en
huizen. Niet veel overigens, tot circa 1750 waren het er ongeveer een kleine 30 en die
stonden niet, zoals aan de andere kant van Den Haag, bij de Zuid
Singelsgracht (Bierkade / Dunne
Bierkade) langs het water, maar in een rijtje aan weerskanten van de Zeestraat.
Dat was een groot verschil. Hier waren geen kades. Aan
weerskanten van de brug over de Noord Singelsgracht stonden de
panden met één kant aan (in) het water. De panden langs het Scheveningseveer
stonden zelfs met hun achterkant in het water, zoals dat ook in Dordrecht het geval is.
De situatie is trouwens nog zo bij de Boogbrug
van Willem II en de brug bij de Frederikstraat (zie foto
uit 2001, hier rechtsonder. Het witte huisje is ondertussen
compleet herbouwd). Tussen die twee bruggen bevindt zich nog
steeds geen kade.
|
 |
 |
 |
Bij de Zuid Singelsgracht ontstond in het
begin van de 17e eeuw een echte haven. Een haven kwam er niet in de Noord
Singelsgracht. Schepen konden dit deel van de stad echter wel bereiken en dankzij de
ophaalbruggen het Noordeinde passeren.
Prinsessewal, Hogewal, Noordwal (Mauritskade). De namen
zeggen het al. Geen kades van steen, maar wallen. De eerste kades vond men pas weer bij de
Hooigracht.
Andere grachten waren er ook niet
aan deze kant van de stad, alleen de hoekige Singelgracht met
zijn vreemde ronde knik bij Scheveningseveer. Die knik zit precies op het punt waar men in
1619, toen de omsingeling compleet was, op het stuk gracht stuitte dat al omstreeks 1597
gegraven was (o.a. voor het vervoer van de Kanonnen die op het Lange Voorhout gegoten
waren in de voormalige Kloosterkerk.
De Haagse Beek was (tot 1917) nog
wel zichtbaar voorbij de oude huizen. De Beek stroomde voor een deel langs de Zeestraat,
maar ter hoogte van het Noordeinde was deze al wel overkluist. Huygens had er een brede
bevaarbare waterweg in gedachten gehad. Ik vraag me soms wel eens af hoe Den Haag er dan
uit gezien zou hebben. Als die gegraven was, dan zou de stad qua haven activiteit wellicht
zelfs Amsterdam voorbij geschoten zijn. Het was niet zo verwonderlijk dat de Staten van
Holland tegen waren.
De Republikeinse Staatsvorm was voor Den Haag niet echt
voordelig. Meer macht voor de Oranjes had er voor kunnen zorgen dat Den Haag ommuurd zou
zijn en wellicht een echte havenstad was geworden die alle andere steden had overvleugeld.
Het is geen wonder dat de inwoners van Den Haag altijd
sterk oranje gezind zijn geweest.
De brede waterweg kwam er dus niet. De Beek bleef gewoon De
Beek.
Een reiziger die de Scheveningsebrug was overgestoken en de
eerste stappen had gedaan op de Zeestraat kon nog eens omkijken en zag dan de bijzondere
poort over de ophaalbrug (waar het hefmechanisme aan bevestigd was). Daarnaast kon hij /
zij een stuk het langzaam omhoog slingerende Noordeinde in kijken.
De brug bij het Noordeinde was veel minder rijk versierd
dan de bruggen bij het Zuideinde (Wagenstraat), Westeinde en het Haagse Bos (de Bosbrug over de Prinsessegracht).
Zo terugkijkend leek de Noordsingelgracht
wel een binnengracht tussen de huizen. Als de reiziger zich weer omdraaide was die indruk
weer snel voorbij want voorbij de laatste huizen rechts stond zo op het eerste gezicht
alleen de hoge Noordmolen (ook Noord-Leliemolen of Nicolamolen genoemd) uit 1668 en
daarachter was het in feite leeg landbouw en duingebied.
Liep men door en passeerde men de laatste huizen, dan was
ook de Bleekmolen te zien. Deze is in 1844 afgebroken, nu vinden we daar Plein 1813. Hier, direct buiten de de omsingeling lagen de weilanden
en tussen de molens stonden boerderijen, hier graasden de koeien en ander vee.
|
 |
Van de molens en de bijzondere huizen die bij de
Singelgracht stonden was er in 1950 geen één meer over. De laatste 17e eeuwse panden aan
de kant van de Kortenaerkade gingen kort na de eerste wereldoorlog al tegen de vlakte. Aan
de andere kant hebben er nog een paar gestaan tot vlak na de tweede wereldoorlog.
Het zal u echter opvallen dat de panden schuin tegen over
Panorama Mesdag smaller en ouder zijn dan het Panorama-gebouw en de statige panden
richting Bazarstraat en verder.
Die panden schuin tegenover Mesdag zijn thans de oudste
huizen van de Zeestraat (nummer 38 / 50), ze zijn ontworpen en gebouwd in 1769 door
Zodaer, die ook de huizen van het Hofje van Susanna Zürkann (Kuypershofje) en Hofje van
Severie aan de Denneweg en het Noordeinde in die zelfde
periode ontwierp en bouwde.
Aan het water liet de PTT tussen 1918 en 1955 grote
kantoorgebouwen neerzetten. De PTT is verdwenen, de gebouwen worden 'hergebruikt'
Het International Institute of Social Studies zit in één
van die panden, de ander zal hoogst waarschijnlijk Hilton Hotel gaan worden. Daarnaast
staat al sinds de 19e eeuw Panorama Mesdag.
|
 |
Zoals hierboven beschreven stond er in de 17e eeuw een
molen langs de Zeestraaat: de Noordmolen (in 1858 werd afgebroken toen men begon met de
bouw van villa's in Willemspark).
Voorbij de molens koeien, geiten, kippen en een enkele
boerderij. Tot 1678 was rechts, in de verte, de Malle Molen te zien, schuin achter de
Blekersmolen. Die molen dankte zijn bijnaam "Malle Molen" aan het feit dat hij
kort na de bouw drie van de vier wieken was verloren tijdens een storm. De javastraat
bestond nog niet. Dat was een landweggetje (Schuddegeest). De zee straat maakte een flauwe
bocht en vervolgens kwam de reiziger bij een tolhuis en een poort.
In de 17e eeuw was deze poort van hout, maar er zouden
plannen geweest zijn om een echte stadspoort te bouwen. Enige jaren daarvoor (1629) was
Den Haag er, met toestemming van Prins Frederik Hendrik, begonnen met de bouw van verdedigingswerken. Enkele ravelijnen waren al bijna klaar.
|
Een Ravelijn is een midden
voor een vestingfront
gelegen, ongeveer driehoekig of redanvormig buitenwerk, ter dekking van een muur of
toegangspoort, alsmede de schouderhoeken der naastliggende bastions tegen vijandelijk
vuur.
Bergen op Zoom heeft nu nog
een hele fraaie Ravelijn net buiten het oude Centrum (foto hieronder).
|
 |
Den Haag had grootse plannen. De op
aandringen van Prins Maurits aangelegde Singelgracht die tien jaar eerder was voltooid was
immers nog maar het begin, met alleen dat water kon je immers geen echte vijand buiten Den
Haag houden. Nu was het tijd voor de echte Vestingwerken !
Dat men in 1629 aan de kant van het Noordeinde begon was
logisch, een invasie van Spanje zou heel goed vanuit zee kunnen komen.
De reiziger die de Scheveningse Zeestraat in 1670 betrad
zou echter geen grote stadspoort, geen vestingwerken, zelfs geen ravelijn meer hebben
gezien.
Ondanks het feit dat de strijd tegen Spanje nog niet
gestreden was en de Vrede nog niet in zicht (1648 pas) protesteerde Delft in 1629
onmiddelijk bij de Staten van Holland en die besloten dat Den Haag moest stoppen met
bouwen en alles weer af moest breken. En dat in tijd van oorlog !
Er was in 1670 ook niets meer te zien van de tweede poging
van Den Haag om met de bouw van muren te beginnen (1635). Delft had de Staten van Holland
wederom laten ingrijpen.
Wie nu met de intercity of de Internationale trein -over
het viaduct- in een paar tellen langs oud Delft dendert kan zich niet meer voorstellen dat
dat stadje ons ooit zóó heeft dwars gezeten (geschreven met een glimlach). Wie echter de
stoptrein neemt (of HTM lijn 1) en uitstapt om Delft te bezoeken ziet iets heel anders.
Een bijzonder fraai centrum waar men trots op kan zijn (grotendeels autoluw) en de
Delftenaren waren meer dan 300 jaar geleden ook erg trots èn erg gepikeerd.
Delft was na de moord op Willem van Oranje immers de
Oranjes en het Bestuur van de Republiek kwijt geraakt aan Den Haag en dat maakt de rancune
en het dwars zitten wel begrijpelijk.
Een eventuele invasie en vernietiging van Den Haag was voor
de Delftse Bestuurders zo slecht nog niet. De andere steden zagen dat toch weer anders,
want die gunden Delft het Bestuur en de Oranjes natuurlijk ook niet. Dat was de Republiek
der 7 "verenigde" Nederlanden, waarin men elkaar alleen in Holland al dwars zat
(de glimlach is er nog). Een absoluut Monarch zou echt een heel ander land tot gevolg
hebben gehad, maar die hadden we net afgezworen. Daarom waren we in oorlog, maar Den Haag
kreeg dus geen muren, geen massieve stadspoort.
Toch werd er in de 18e eeuw een fraaie toegangspoort
gebouwd bij de Scheveningse Zeestraat. Het werd geen massief poortgebouw zoals in Delft,
Leiden en de andere steden, maar een echte sierpoort die bestaat uit drie zuilen van steen
met twee ijzeren hekken daartussen : de Huygenspoort.
Hoewel je tegenwoordig even moet zoeken is die fraaie
Huygenspoort nog steeds te bezichtigen. Hij staat sinds 1924 echter bij de Kerkhoflaan.
|
 |
 |
De Zeestraat bestaat ook nog steeds, maar alleen het
gedeelte tussen de Singelgracht en de Javastraat heet nog zo,
voorbij de Javastraat heet deze oude straat nu Scheveningseweg. Hij eindigt nog steeds bij
de Keizersstraat in Scheveningen.
Ook het Tolhuis is er nog, het witte gebouw staat naast de
trambaan aan de Scheveningseweg.
De tol voor voetgangers stopte in 1837 toen Koning Willem
II Sorghvliet had gekocht.
Omstreeks diezelfde tijd werden er nieuwe wegen naar Scheveningen aangelegd, één voor het verkeer over de weg, De
Nieuwe Scheveningseweg (Badhuisweg) in 1827 en een Kanaal voor
de schepen waarvan de aanleg omstreeks 1828 begon, waarbij men (pas) in 1862
Scheveningen bereikte.
Aan de Scheveningseweg vinden we een restant van het
prachtige park Sorghvliet (ooit van Jacob Cats), de Joodse
Begraafplaats, de Nieuwe Scheveningse bosjes en diverse fraaie (19e eeuwse) panden. Ook
staat er een borstbeeld van Constantijn Huygens.
Blaffers en Bijters
Tussen 1666 en 1849 werd de Scheveningse Zeestraat iedere avond
"onveilig" gemaakt door een bonte stoet. Meer dan 30 haringkarren,
voortgetrokken door honden (circa 3 per kar). Deze stoet vertrok met verse haring om
23.00uur uit Scheveningen en trok dan in één rechte lijn via Scheveningse Zeestraat,
Noordeinde, Venestraat, Zuideinde (Wagenstraat) naar de Bierkade. Daar moest men om 24.00
uur zijn, want dan vertrok de boot naar Rotterdam. De haringschuit kwam vervolgens om 4
uur 's ochtends met de verse vis aan bij de Haagveer in Rotterdam, alwaar de Haring werd
verkocht. De begeleiders van de Honden, die van Scheveningen naar de Bierkade meeliepen
werden Rotterdamlopers genoemd.
De inwoners van Den Haag noemden de honden "de
Blaffers en de Bijters".
Wie wel eens een film op discovery channel heeft gezien
over de Huskey's die sledes trekken op de Noordpool weet precies hoe dat er uitgezien moet
hebben. Toen de Haringkade was aangelegd gingen de Haringschepen vanuit Scheveningen naar
Rotterdam. Dat was in 1849. Toen was het voorbij met de bijzondere nachtelijke tocht door
Den Haag.
Het voormalige PTT pand aan de Kortenaerkade grenst niet
direct aan de Zeestraat, er is een smalle ruimte die nu ongebruikt is. Dat heeft wellicht
met tunnels/kelders te maken. Maar ik zou er -als ik het voor het zeggen had- zelf smalle
panden in historische stijl neer laten zetten (kijkend naar oude plaatjes, zoals die in
het midden van deze pagina) niet te hoog maar wel fraai, met winkelruimte op de begane
grond en luxe appartementen erboven.
Er lopen al mensen van het Noordeinde naar Panorama Mesdag
en die komen thans voorbij de brug eigenlijk in een 'dood' stuk van de stad. Als je dan
bedenkt dat Panorama Mesdag toch één van de grote publiekstrekkers is in Den Haag, dan
denk ik : maak er wat moois van !
Doordat de Kortenaerkade toch al vrij rustig is kan men tot
aan het water bouwen. Het levert een fraai plaatje op. Bestemmingsverkeer kan de grote
panden bereiken, maar niet meer door rijden. Dat voorkomt dus ook sluipverkeer.
Juli 2006 : De kastanjes langs de Scheveningsweg zijn
volgens mij vrijwel zonder uitzondering dood en dood ziek (Kastanjeziektes). De stammen
zijn grauw en de bladeren vertonen de voortekenen van de naderende dood. Vreselijk om te
zien.
|
|
|