Voordat het hout echter gebruikt kon worden kwamen de
Spanjaarden naar Den Haag. Zij gebruikten een deel om zelf schansen aan de oostkant van
Den Haag op te werpen en namen de rest van het hout mee om het te gebruiken tijdens het
beleg van Leiden.
Het woud heeft zich nooit meer van die 'aanslag' kunnen
herstellen, omdat de vruchtbare grond was weggespoeld tijdens regen die viel gedurende de
oorlogsjaren.
Er waren geen bomen en planten meer om deze grond vast te
houden en alles wat over was gebleven na de oorlog waren dorre onvruchtbare duinen. De
Rekenkamer en de Magistraat (beide verantwoordelijk voor het uiterlijk en welzijn van Den
Haag) besloten in 1594 om deze duinen af te graven. De afvoer van het zand zou per schip
gebeuren en daarom kreeg Den Haag aan het eind van de 16e eeuw haar eerste grachten aan de boskant. Het Spui bestond
al, er lag daar een havengebiedje dat nu snel begon te groeien door de overslag en verdere
afvoer van het zand.
Waren er in 1585 nog slechts 7 à 8.000 inwoners (hetzelfde
aantal als in 1500), in 1625 woonden er al 18.000 mensen in Den Haag.
Op de afgegraven zandvlakte tussen Haagse Bos en Voorhout
werd door de adel tussen 1606 en 1708 het "Malie" (of Palmalie) spel gespeeld.
Vandaar ook de naam "Malieveld".
Het malie spel was ontwikkeld in Frankrijk en gedurende de
gehele 17e eeuw een geliefde sport van Edelen en Vorsten. Het was een voorlopger van Golf
en Cricket. De Engelsen noemden het "Pal Mall", de Fransen "Paille
Maille".
Tot 1705 lag de grens van het Malieveld bij het Smidswater. Het eerste gebouw voorbij die gracht was de Kanongieterij
(thans Artillerie). Omstreeks 1705 werd de Portugees-Joodse buurt
gebouwd en werd de Prinsessegracht verlengd. Het Malieveld werd
een stuk kleiner.