Al tijdens de 80-jarige oorlog
(tegenwoordig spreekt men wel van "De Opstand") werd er in Den Haag weer volop
gebouwd. Veel van de oorspronkelijke woningen waren in vlammen opgegaan, ze werden
vervangen door nieuwe huizen. In tegenstelling tot de oorspronkelijke woningen (veelal van
hout) waren deze voor een groot deel van steen gebouwd. Een van de weinige nog
overgebleven voorbeelden van de huizen die in die tijd gebouwd werden is het Page huis op het Lange Voorhout.
De oude huisjes en stallen die aan het Buitenhof stonden werden afgebroken en er kwamen herenhuizen voor
in de plaats. Ook werden er rond 1630 plannen gemaakt om op de zogenaamde "'s
Graven Kooltuin" te gaan bouwen (achter het Binnenhof).

Den Haag
1651
Prins Frederik Hendrik had er geen
problemen mee dat de tuin verdween, maar dichte bebouwing zo dicht op het Binnenhof zag
hij echt niet zitten. De prins wilde in de regeringsstad een plein van vorstelijke allure
en verzette zich hevig tegen de bestaande bouwplannen. Zijn verzet had succes. Frederik
Hendrik had namelijk enkele belangrijke militaire overwinningen behaald op de Spanjaarden
[verovering van Maastricht en omgeving]. Deze overwinning maakte de prins zeer populair en
de Staten van Holland durfden hem het plein niet te weigeren. Den Haag kreeg daarom bij de
"Poten" in 1633 een royaal wandelplein. Zo'n plein was
vrij uniek in Holland. Marktpleinen waren er natuurlijk wel, maar een plein gewoon voor de
sier. Dat kwam eigenlijk niet voor. Het liet nog eens zien hoe rijk de Republiek was.
Buitenlandse reizigers keken hun ogen uit in het centrum van de stad. Men moet hierbij
bedenken dat de Opstand nog niet voorbij was. De Republiek was nog steeds een land in
oorlog.
In het verlengde van het
Plein werd langs de Hofvijver een kaarsrechte kade (de Korte Vijverberg) aangelegd, die een majestueus perspectief bood
op het nieuwe plein en zelf een stijlvolle afsluiting van de
vijver vormde. De prins en diens secretaris, Constantijn Huygens, waren nauw betrokken bij
de aanleg van plein en kade (Korte Vijverberg). Constantijn Huygens
bouwde voor zichzelf een schitterend huis aan het Plein, dat toen nog Stadhoudersplein
werd genoemd.
Huygens' eigen stadspaleis aan het Plein moet één van de mooiste gebouwen van Nederland zijn
geweest, maar het sneuvelde eind 19e eeuw bij de nieuwbouw voor het Departement
van Justitie en dat van de Hoge Raad. Het -saaie- gebouw van de Hoge Raad heeft al na
minder dan 100 jaar, in 1990, het veld moeten ruimen voor de nieuwe panden van de Tweede
kamer. Het fraaie pand van het Departement van Justitie staat er nog, maar is nu ook
onderdeel van de Tweede Kamer.
Ook het Mauritshuis
werd gebouwd. Dit gebeurde in opdracht van Frederik Hendrik voor zijn neef Johan Maurits.
Johan Maurits was zojuist teruggekeerd uit Brazilië, alwaar de bevolking hem tot Koning
had gekroond. De Brazilianen waren dan ook zeer enthousiast over zijn daden, de
Nederlandse 'Regering' was dat echter niet. Zij hadden Johan Maurits als gouveneur
naar Brazilië gestuurd om er de Nederlandse belangen te behartigen (Brazilië is
tijdelijk van de Nederlanden geweest). De Staten haalden Johan Maurits terug. Als
voormalig 'koning' kreeg hij het naar hem genoemde Mauritshuis. Dat paleis was in dezelfde
stijl gebouwd als het huis van Huygens. Kort daarna werd Brazilië veroverd door de
Portugezen. Er zijn vanuit Suriname nog enkele pogingen gedaan (door de Hollanders) om
Brazilië te heroveren, maar deze veldslagen werden allen door de Hollanders verloren.
Frederik Hendrik bemoeide zich steeds vaker
met nieuwbouw projecten. Ook de -in feite naar hem genoemde- Prinsegracht
("Nieuwe Princengracht") was zijn idee. Het was de bedoeling dat die gracht zou
worden doorgetrokken tot aan de Maas, zodat Den Haag een eigen zeehaven kreeg. Wederom
staken de steden van Holland een stokje voor de (wilde) plannen van Den Haag. De
Prinsegracht kwam er en via de Loosduinse vaart kon men via Loosduinen naar het Westland
varen, maar de Maas werd nooit bereikt. Er kwam geen Haagse haven naast de zeehaven
van Delft (Delfshaven).

Haagse Prinsegracht
Amsterdam keek aan het begin van de 17e
eeuw een beetje jaloers op het fraaie "Lange Voorhout".
Men wilde in die grote handelsstad iets soortgelijks aanleggen. Gezien de beroepen van de
bewoners (rijke zee-handelslieden) moest er echter wel water door deze straten stromen. We
kennen deze boulevards als Heren-, Prinsen- en Keizersgracht.
Vervolgens droomden Den Haag en haar
bestuurders van een 'eigen' Prinsengracht die de Amsterdamse naamgenoot in prestige op
zijn minst zou benaderen. Prins Frederik Hendrik had zojuist een kanaal (Loosduinse Vaart)
laten graven naar zijn prachtige kasteel in het Westland. Dit kanaal sloot aan op de
Haagse Singelgracht. Het bestuur van Den Haag heeft toen besloten om vanaf de Singelgracht
een nieuwe gracht te graven naar het Haagse Centrum. Daar was door een enorme stadsbrand
(waarbij een klooster èn alle huizen van de Vlamingstraat in vlammen op waren gegaan)
ruimte ontstaan voor een marktplein (Grote Markt).
Er werden grootse plannen gemaakt voor dit
prestigeproject en in 1643 werd de gracht daadwerkelijk gegraven. In datzelfde jaar waren
ook de bestrating, de bruggen en kaden gereed. Langs de gracht stonden linden en
populieren. Men noemde de gracht "Nieuwe Princengracht" Inderdaad met een
'c' ipv een 's'. Men sprak ook van Cingels ipv Singels. )
Het wachten was nu op een fraaie bebouwing.
Dit bouwen heeft uiteindelijk erg lang geduurd, meer dan twee eeuwen. De eerste
bouwpercelen gingen nog vlot van de hand en er werden schitterende panden gebouwd, maar
voorbij de Lange Beestenmarkt stagneerde de bouw. De aristocraten
en patriciërs die Den Haag als woonplaats kozen, vertoonden een uitgesproken voorliefde
voor de andere kant van de Stad (Kneuterdijk, Lange en Korte
Vijverberg en het Voorhout). In Amsterdam lagen de nieuwe
grachten om het centrum heen, in Den Haag liep de Nieuwe Prinsengracht van het centrum af.
Rijke mensen vonden het niet prettig als ze verder van de stad woonden dan de buren. Dat
was slecht voor het 'prestige'.
Na de bouw van de Nieuwe
Kerk en de bouw van enkele statige panden aan daarnaast gelegen grachten (Bierkade,
Amsterdamse en Stille Veerkade) wilde er vrijwel niemand meer aan de Nieuwe Prinsengracht
wonen.
Aan de Prinsessegracht en het Korte Voorhout verrezen nieuwe en soms imposante woningen, maar
aan de Prinsegracht bleeft de bebouwing bij de Brouwersgracht
steken. Het Hofje van Nieuwkoop (1662) stond eeuwen lang moederziel alleen aan het einde
van de Gracht.
Een groot nadeel van deze gracht was dat zij van de stad af liep, in plaats van dat zij er
middenin lag. Toch is de gracht rond 1750 diverse malen geroemd om haar schoonheid.
De boogbruggen, de bomen en woonhuizen die er langs stonden, maakten diepe indruk
op binnen- & buitenlandse bezoekers van de stad.
Het water is anno 2000 al meer dan 100 jaar
verdwenen. Er zijn in de jaren'80 van de 20 eeuw wel plannen gemaakt om de gracht weer te
openen, maar dat is niet gebeurd. Onlangs is wederom naar de mogelijkheden van heropening
gekeken. Het opnieuw terugbrengen van de gracht zou echter 245 miljoen gulden gaan kosten
(in combinatie met een verlengde tramtunnel) ! Dat zal dus nog wel even duren.
Eind 17e eeuw had Den haag nog steeds geen
stadsrechten, maar het had toch alle kenmerken van een stad. Het inwonertal had bijna de
30.000 bereikt. Er was industrie en veel rijkdom. Eigenlijk was het gewoon een stad, maar
het mocht zich niet zo noemen.
Bijna had Den Haag het recht gehad om mee te vergaderen met de andere steden.
Daar was in het begin van de 17e eeuw toestemming voor gegeven. Den Haag had echter
geen geld om de benodigde contributie te betalen. Het dorp had immers erg te lijden gehad
onder de aanslagen van Geuzen en Spanjaarden. Toen Den Haag het geld na een paar jaar bij
elkaar had gespaard werd haar de toegang tot de vergadering toch nog ontzegd. De
stadsbesturen van Leiden en Delft lagen weer dwars.
In 1629 is men aan de Noordkant van Den
Haag (Noordsingelgracht bij het Noordeinde)
wel begonnen met het aanleggen van Vestingwerken. Dat werd gedaan
na geruchten dat Duinkerkers naar Den Haag onderweg waren. Er kwamen enkele ravelijnen
(werken die een wal tussen twee torens moesten beschermen) en wachthuizen van
steen. Ook werd er een begin gemaakt met het aanleggen van een wal van zand en puin.
Maurits was hiermee akkoord gegaan. De
bestuurders van Delft waren echter doodsbang dat Den Haag economisch (ook) belangrijker
zou gaan worden dan Delft en dienden protest in bij de Staten van Holland. Deze
verklaarden na enige vergaderingen de werkzaamheden illegaal en de bouwwerkzaamheden
dienden te worden gestaakt. Er was al een heleboel gereed, maar dat moest weer worden
afgebroken.
In 1635 begon men weer (illegaal) aan
vestingwerken, in de hoop dat Delft nu geen bezwaar zou maken. De bestuurders van die stad
eisten echter wederom de stopzetting van de activiteiten en wederom moest alles weer
worden afgebroken.
Den Haag was dus niet zomaar een dorp. Van
de vijf verharde buitenwegen in heel Holland lagen er drie in de nabijheid van Den Haag.
Één daarvan was de -naar een plan van Constantijn Huygens
aangelegde- Scheveningseweg. Deze weg maakte van Den Haag in één klap een (muurloze)
stad aan zee, waardoor steeds meer reizigers uit binnen- en
buitenland naar de stad toe kwamen.

Schev. weg
Den Haag zelf had geen stadsmuren, maar
langs deze Scheveningse weg lagen -zowel links als rechts- wel hoge zandwallen. Er stonden
ook enkele muren langs deze weg. Je moest tol betalen om er gebruik van te mogen maken.
Ter hoogte van het Vredespaleis stond de mooie Huygenspoort . Deze
poort is aan het begin van de 20e eeuw verplaatst naar de
Kerkhoflaan.
In het centrum van Den Haag was de Halstraat
de belangrijkste winkelstraat van de 17e eeuw. Winkelstraten van de 19e, 20e en 21e eeuw,
zoals de Venestraat, Vlamingstraat en Spuistraat hadden veel meer een
"woon-functie". In de Halstraat vond men 350 jaar geleden kappers, kledingzaken
en winkels met Franse en Brusselse waren.
Het Lange
Voorhout was de drukste flaneer straat. Daar kwamen de mensen met invloed en
macht en zij die zich belangrijk voelden. Het was het hart van de Republiek en daarmee
lange tijd ook van Europa. Over het Lange Voorhout werd overdag met koetsen en paarden
gereden. Vrouwen droegen dan maskers. Daarmee beschermden zij zich tegen de zon. Een bleke
huid was mode in die tijd.
De paarden gingen met zonsondergang op stal
en 's avonds werd er door de mensen die overdag rondgereden hadden gewandeld. Dat was vrij
uniek, want in de meeste steden kon men 's avonds beter binnen blijven. De nacht was van
de bedelaars en rovers. Wandelaars die afdwaalden van het Voorhout werden vaak hardhandig
beroofd.
Koninklijke
ballingen en Kermis in Den Haag