Na de plunderingen van Den Haag door
de troepen uit Gelre (in 1528) had men in 1531 Delft al aangewezen als
officiële wijkplaats voor het Hof van Holland in tijden van oorlog en rampspoed.
In 1577 leek Den Haag zijn functie als
regeringscentrum geheel te verliezen toen de Staten van Holland besloten om de archieven
van Hof en aanverwante instellingen van het Binnenhof over te brengen naar het ommuurde Delft.
Ook de nieuwe machthebber, Willem van
Oranje, ging in Delft wonen. De tijd van Den Haag als
regeringsstad leek nu definitief voorbij. Ook toen Willem van Oranje in 1584 werd vermoord
in het Prinsehof, betekende dat nog geen eerherstel van de stad. De Oranjes verlieten
Delft, maar gingen niet naar Den Haag.
De strijd was nog lang niet voorbij in
1584. In de omgeving van Den Haag was het echter -na het ontzet van Leiden- wel een stuk
rustiger geworden. Voor Den Haag leek het toen echter al te laat te zijn. Er was van het
dorp weinig meer over.
Het gedeelte van bos dat tegen Den Haag
aanlag was voor een groot deel gekapt en wat overgebleven was waren enkele kale
duintoppen. Zand en takjes verspreidden zich door de straten van het dorp. Het leek er op
alsof de natuur langzaam bezit nam van het ooit zo mooie dorp. Dat was eigenlijk ook wat
Delft en Leiden graag hadden gezien. Den Haag zou weer langzaam onderdeel worden van het
duinlandschap en de twee grote steden waren een lastige -handels- concurrent kwijt. Al in
1575 had het Stadsbestuur van Delft tijdens een officiële Staten vergadering voorgesteld
om Den Haag definitief van de kaart te laten verdwijnen. Willem van Oranje en veel andere
steden had toen tegen die plannen gestemd.
Na enige jaren door Holland en Zeeland te
hebben gezworven met haar kinderen (waaronder de Prinsen Maurits en Frederik Hendrik)
vestigde de weduwe (derde vrouw) van Willem van Oranje Louise de Coligny zich aan
het eind van de 16e eeuw in het latere Paleis Noordeinde te Den
Haag. Voor Den Haag betekende dit definitief het begin van het herstel. Prins Maurits was
toen al volwassen en voerde de opstandige legers aan.
Hij was in 1585 naar voren geschoven door
een belangrijk ambtenaar van Rotterdam, Johan van Oldenbarnevelt. Prins Maurits was de
tweede zoon van Willem van Oranje. De oudste zoon, Philips-Willem, was gegijzeld door de
Spanjaarden en kwam pas veel later vrij.
Maurits benoemde Van Oldenbarnevelt vrij
kort daarna tot Landsadvocaat van Holland (men noemde dat later Raadspensionaris).
In 1587 was het volkomen duidelijk dat geen
enkele Europese vorst het Koningsschap in de opstandige gebieden durfte of kon op (te)
eisen. Ten slotte besloot de Staten van Holland zichzelf maar uit te roepen tot
"staatshoofd". Dit tot grote verbazing van alles en iedereen in Europa. De
Noordelijke Nederlanden werden een Republiek.
De staatsinrichting van de
Republiek,
Johan de Witt schreef in 1650 :
(..) "Dat de Engelschen deze
Vereenigde Nederlanden in verscheidene artikelen noemen met de naam van Respublica, 't
welk geoordeeld wordt eigenlijk niet te passen, al zoo deze Provinciën niet en te zamen
una Respublica, maar iedere provincie apart eene souvereine republiek is, en dat zulks
deze Vereenigde Provinciën niet met de nam van Respublica, in singalari numero, maar
veeleer met de naam, Reipulcae Foederatae of te Unitae, in Plurali Numero genoemd zouden
moeten worden.
Te laat heeft De Witt zich gerealiseerd dat
de vijanden van de Republiek na deze uitleg hun kans schoon zagen. Als het een verzameling
republiekjes betrof, dan kon men die één voor één uitschakelen en daarmee de
Nederlanden.
De Engelse ambassadeur, Sir Willian
Temple, maakte dat nog eens duidelijk in een brief aan zijn regereing in 1672 :
"Het is duidelijk [...] dat deze Staat
niet echt een gemenebest genoemd kan worden, maar eerder een verbond is van zeven
Souvereine Provincies, met elkaar verenigd voor hun gemeenschappelijke en wederzijdse
defensie, maar zonder enige afhankelijkheid van elkaar. Om de aard van hun regering [...]
te ontdekken, moet die in nog kleinere onderdelen uit elkaar gehaald worden, waardoor zal
blijken, dat elk van deze Provincies op haar beurt is samengesteld uit vele kleine
staatjes en steden, die elk op zich verschillende kenmerken van souvereine macht hebben,
en die niet onderworpen zijn aan de souvereiniteit van hun Provincie.
In de Provinciale Staten worden besluiten
immers niet genomen bij meerderheid van stemmen, maar door algehele eenstemmigheid.
Want zoals de Staten-Generaal geen oorlog
kunnen verklaren, of vrede kunnen sluiten, of een nieuw bondgenootschap kunnen aangaan, of
belastingen kunnen heffen zonder de instemming van elke provincie, zo kunnen de
Staten-Generaal eigenlijk niets van dit alles doen zonder de instemming van elk van de
steden die een stem hebben in de Provinciale Statenvergadering".
Dat was in 1672.
Vele jaren eerder zag de toekomst van die
Republiek er al niet zo rooskleurig uit. De opstand tegen Spanje was nog in volle gang en
de Hertog van Alva was vervangen door de Hertog van Parma. Alva had de opstand niet neer
kunnen slaan, Parma leek dat wel te gaan doen. Hij boekte overwinning na overwinning en
had al snel het gehele Zuiden van de Nederlanden weer onder controle. Toen hij ook in de
Noordelijke Nederlanden zijn slag wilde gaan slaan kreeg hij vanuit Spanje het bevel om
naar Parijs te trekken. Daar leken de Protestanten andermaal de macht over te nemen. In
Engeland zat al een Protestantse Koningin op de troon, in Duitsland waren Protestante
vorstendommen en ook Denemarken en Zweden waren Protestants geworden. Indien Frankrijk ook
in Protestante handen zou vallen, kwam het Katholocisme in Europa wel erg in de
verdrukking. De opstand in de Nederlanden kon wel even wachten. Parijs diende te worden
behouden voor het Roomse geloof. Parma wist inderdaad Parijs (1590) te veroveren, maar de
opstandige provincies in het Noorden gingen nu voor altijd verloren.
Maurits was na 1588 stadhouder van Holland,
Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijssel. In Friesland was een neef van Maurits (Willem
Lodewijk) tot stadhouder uitgeroepen. De twee neven reorganiseerden het leger van de jonge
Republiek. Ze maakten er een soort beroepsleger van, waarbij de maandelijkse uitbetaling
van het soldij een opvallende nieuwigheid was. Vanaf dat moment was het vrijwel afgelopen
met de plunderingen door de Opstandige legers.
De twee stadhouders waren tevens voor de taktiek "aanval is de beste
verdediging".
Deze nieuwe tactiek werd het eerst
toegepast in Breda, een stad die door een list gelijk het paard van Troje (alleen was hier
sprake van en turfschip) werd ingenomen.
In 1594 volgde Groningen. Groningen werd de
een Provincie, evenals Drenthe. Willem Lodewijk wordt tevens stadhouder van Groningen en
Drenthe.
Men sprak in die tijd nooit van de
Verenigde Nederlanden, maar altijd van de Verenigde Provinciën. Noord-Brabant (en later
delen van Limburg) behoorden welliswaar tot het veroverde gebied, maar waren geen
Provinciën. Ze werden gezien als een soort buffergebied. De vijand in het Zuiden moest
daar eerst doorheen zien te komen alvorens de Provinciën in het Noorden gevaar liepen.
Men sprak van 'generaliteitslanden', omdat ze geen stadhouder hadden, maar rechtstreeks
door de Staten-Generaal bestuurd werden.
In 1593 stierf Philips de 2e. Hij werd
opgevolgd door zijn zoon Philips III.
De Nederlanden (Zuid en Noord) zijn dan al door Philips II aan zijn dochter
Isabella geschonken.
Op de dag dat ze in Brussel aankwam waren er ook stoelen gereserveerd voor de
opstandige Noordelijke Provinciën. Men had aan het Spaanse Hof nog steeds niet door
hoezeer de situatie veranderd was. De opstand werd nu door iedereen in het Noorden
gesteund. De stoelen bleven dan ook leeg.
In 1600 volgde de beroemde slag bij
Nieuwpoort. [Externe link],
die welliswaar door Maurits werd gewonnen, maar voor het verloop van de strijd in Zuid
Nederland geen rol van betekenis meer speelde. De Zuiderlijke Nederlanden bleven in handen
van Spanje.
In Drenthe volgde nog wat strijd, waarbij
enkele dorpen en kleine steden werden veroverd door de Spanjaarden. Deze dorpen zijn ook
nu nog steeds Katholiek. Op zee was de Republiek heer en meester.
In 1609 waren de Spanjaarden de strijd moe
en werd besloten tot een 12 jarig bestand.
Den Haag
Prins Maurits was aan het eind van de 16e eeuw in Den Haag gaan wonen.
Echter niet in het Mauritshuis (al doet de naam dat wellicht
vermoedden). Het Mauritshuis is pas veel later gebouwd, in opdracht van Frederik Hendrik
voor zijn neef Johan Maurits van Nassau, die kort koning van Brazilië is geweest.
Maurits woonde eerst op Noordeinde en verhuisde later naar het Binnenhof.
In 1584 was er brand uitgebroken in een
nonnenklooster dat aan het eind van de Vlamingstraat stond. Het gehele klooster was
verwoest. Het is nooit meer opgebouwd. We kennen de lokatie thans als de "Grote
Markt". Alle huizen in de omgeving van het kasteel waren in het begin van de opstand
al verwoest. Er is in heel Den Haag dan ook geen enkel huis van voor 1595
te vinden.
De Staten van Holland hadden er voor
gekozen om ook weer in Den Haag te gaan vergaderen. Die keuze is gemakkelijk te verklaren.
Diverse steden hadden er op aangedrongen om de Staten binnen hun muren te krijgen. Om
jalousie en mogelijke interne strijd te voorkomen koos men, net als de Graven van Holland
ooit hadden gedaan, weer voor het 'onbetekende' Den Haag.

De weduwe, de moeder en de zoon van Van Oldenbarneveld bij Prins Maurits.
Smekend om genade voor de zoon van Van Oldenbarneveld.
Het feit dat Maurits zelf op het Binnenhof
ging wonen was een veelbetekend feit. Maurits was een man met invloed en prestige en
bovendien opperbevelhebber van de republikeinse legers. Hij liet de bestaande bebouwing
van het Binnenhof in 1590 uitbreiden met een hoge, vierkante hoektoren.
Dit gebouw staat nog steeds in de noordwesthoek van het complex, naast de Hofvijver
en het Buitenhof. In 1587 kwamen ook de Staten-Generaal
naar Den Haag. Voortaan was Den Haag het bestuurscentrum van de gehele "Unie der
Verenigde Provienciën" (de latere Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden)
Maurits heeft nog gepoogd Den Haag door
muren te laten omgeven, de stad mocht immers niet nog een keer ten prooi vallen aan
strijdende troepen. De oorlog met Spanje was nog lang niet voorbij en de kans bestond dat
Spanjaarden vanaf de Noordzee zouden aanvallen.
Na drie jaar vergaderen was er
overeenstemming (het was ondertussen al 1603) om Den Haag te omgeven met een muur. Er
bestaan diverse tekeningen en die zijn op zijn minst spectaculair te noemen.
Het benodigde geld was bij elkaar, Delft
had zijn bezwaren onder protest opgegeven en de benodigde grond was onteigend. Ook waren
alle andere zaken geregeld. Toch is de muur -zoals U wellicht al wist- er nooit gekomen.
Het stadsbestuur van Den Haag wilde meer zeggenschap in de stad, zodra deze ommuurd was en
het Hof van Holland en de Staten voelden daar niets voor. Als een soort straf is het plan
van de muren toen afgeblazen.

Zicht op Den Haag
vanuit Delft
1646
Vooral de afgevaardigden van Delft waren
bang dat Den Haag sluipenderwijs de status van stad zou krijgen en vervolgens machtiger
zou worden dan Delft zelf. Ze hebben achteraf gelijk gekregen.
De muren kwamen er dus uiteindelijk niet,
maar dat Den Haag beter verdedigd moest kunnen worden stond wel als een paal boven het
spreekwoordelijke water. Het was Prins Maurits van Oranje die de zaak weer aanzwengelde.
Hij wist iedereen te overtuigen. Muren kwamen er nog steeds niet, maar in 1614 had Den
Haag wel degelijk verdedigingswerken in de vorm van een grachtenstelsel.
Deze grachten vormden ook een element van
stadsverfraaiing en vergemakkelijkten het de bevoorrading van de Hagenaars.
In het jaar van het bestand met Spanje,
1609, werd paleis Noordeinde eigendom van de Oranjes. Het werd
bewoond door Louise de Coligny, de weduwe van Willem van Oranje.
De broer van Prins Maurits, Prins Frederik
Hendrik, bleef er na de dood van zijn moeder (Louise de Coligny) in 1620 zelf wonen. Het
paleis is nog steeds in gebruik door de Oranjes. Sinds 1980 is het het werkpaleis van
Koningin Beatrix.
De 80 jarige oorlog (begonnen in 1581 met
de afzwering van de Spaanse Koning Philips II [Acte van Verlatinghe]) was na het
12 jarig bestand nog niet ten einde. Er zou nog tot 1648 (Vrede van Munster) strijd
geleverd worden. Het dorp Den Haag is in die jaren echter niet meer aangevallen.
Wat niet wil zeggen dat het er rustig
bleef. Tijdens het 12 jarige bestand ontstond er binnen het kamp van de opstandelingen
onenigheid over de te volgen politiek. Bovendien wilden enkele staatslieden, waaronder Van
Oldenbarnevelt, niet dat Prins Maurits te veel macht kreeg. De Noordelijke Nederlanden
waren immers een Republiek. Prins Maurits heeft toen een soort staatsgreep gepleegd,
waarbij hij onder andere de oude Van Oldenbarnevelt en Hugo de Groot liet arresteren. Van
Oldenbarnevelt is vervolgens op het Binnenhof geëxucuteerd
(onthoofd).
Van Oldenbarnevelt was al over de 80. Er staan nog altijd standbeelden
van hem in Rotterdam en Den Haag (Lange Vijverberg).
Deze staatsgreep en de executie zijn er de
oorzaak van dat Maurits lang 'vergeten' is. Pas in het jaar 2000 is sprake van een
voorzichtig eerherstel. De prins heeft er immers voor gezorgd dat de oorlog tegen Spanje
werd gewonnen. Het einde van de oorlog heeft hij zelf echter niet meer mee gemaakt. Hij
stierf (een natuurlijke dood) in 1625. In Spanje zit Philips IV dan op de troon, die ook
van geen wijken wil weten. De half broer van Maurits, Frederik Hendrik, wordt
stadhouder van Holland en Zeeland en aanvoerder van de strijdkrachten.
Frederik Hendrik is net als Maurits, heel
belangrijk geweest voor de inrichting van het oude Centrum. Hij laat de voormalige
moestuinen achter het paleis veranderen in een statig plein (Het Stadhoudersplein, we
noemen dit nu gewoon "Plein"), hij geeft opdracht tot de
bouw van het Mauritshuis, voor zijn neef en laat aan de
achterzijde van het Binnenhof een tweetal nieuwe poorten bouwen. Bovendien is de inrichting van de omgeving van de Hofvijver (Lange en Korte Vijverberg) door
hem aangevraagd. Tot omstreeks 1630 had de Hofvijver nog enigszins de uiterlijke kenmerken
van het duinmeer dat het ooit was, na de renovatie was het een rechthoekige vijver.
Het Haagse hof kreeg onder leiding van
Prins Frederik Hendrik al snel een onmiskenbare allure. Het stadhouderlijke hof werd
echter vooralsnog toch niet het centrale aantrekkingspunt van de -onafhankelijke-
Republiek als zodanig.
Dat was immers de handelsmacht, de
economische groei, het financieel vermogen, de spectaculaire bloei van de nijverheid in de
echte grote steden (en Den Haag was geen (grote) stad) in Holland en langs de Zaan. Wie
vanuit het buitenland naar de Republiek ging, kwam niet in de eerste plaats voor het
stadhouderlijk Hof. Den Haag lag daarnaast ook nog eens in een uithoek. Het was wel een
geliefde plaats voor kunstenaars, die zich vooral in de omgeving van de Bierkade
vestigden. Jan van Gooyen en Jan Steen bijvoorbeeld.
Vele Hollandse meesters schilderden de schitterende omgeving van het Binnenhof.
Buitenlandse reizigers gingen vaker naar
het mekka van wetenschap en geleerde boekproductie, Leiden, of
naar het zenuwcentrum van de wereldhandel, de stad waar -ook toen al- alles mogelijk leek
te zijn en waar alles ook derhalve gebeurde, de echte metropool, Amsterdam.
Amsterdam was nooit ver weg - ook in Den
Haag niet. Het grote logement van de Amsterdamse gedeputeerden op het Plein maakt dat duidelijk genoeg.
Het Stadhouderlijk hof moest
in Den Haag geducht rekening houden met de andere machtspolen van het plaatselijke, het
gewestelijke en het nationale leven, die elkaar in het kleine wereldje rond en nabij de Hofvijver ontmoetten.
Ten eerste die van het
gewest, de Staten van Holland, het Hof van Justitie van Holland en Zeeland, de Rekenkamer,
de Hoge Raad, de Raad van Brabant en daaraan gekoppeld een klein
leger van ambtenaren. Vervolgens de instellingen van de Generaliteit die
gedeputeerden en vertegenwoordigers van alle gewesten naar Den Haag riepen,
vertegenwoordigers van allerlei steden, streken en belangen, alsmede militairen en buitenlandse gezanten. Tenslotte Den Haag zelf, want al
had het dorp Den Haag nog steeds geen stadsrechten verworven, de agglomeratie
functioneerde in tal van opzichten toch al als een volwaardige stad.
In 1641 trouwde de zoon van
Stadhouder Frederik Hendrik, de latere Willem II, met de Engelse Mary Stuart. Willem was
toen 14 jaar oud en Mary 9. Dit soort huwelijken tussen kinderen was niet ongebruikelijk,
de gemiddelde leeftijd lag nog veel lager in die tijd. Iemand van 40 was echt oud.
Mary Stuart kwam kort daarna
naar Den Haag en bracht haar eigen hofhouding mee. Ook dit was niet echt bijzonder. Er
leefden in Den Haag al enkele uit hun land gevluchtte en/of verbannen Europese
vorsten.
De Haagse middenstand
profiteerde van de aanwezigheid van zoveel adel, want nogal wat winstgevende bedrijven en
ambachten stonden in rechtstreeks verband met het hofleven. Den Haag wemelde van de
goudsmeden, juweliers, borduurwerkers, zwaardvegers, zijdekramers, lakenkopers,
vergulders en pastijbakkers.
Rijken waren er derhalve
genoeg in Den Haag, meer nog dan in Amsterdam, dat toch zesmaal zoveel inwoners telde.
Door de rijkdom in de stad
kwamen er nog meer mensen wonen. Het inwoneraantal bleef groeien. Den Haag was een
gezellige stad geworden.
Jacob van der Does, Haags
dichter (1641-1680), schreef in 1667 :
"Het Haagje dat het ver
van alle Europa's hoeken
wint in vermaakelijkheid en tot aan 't eind der aard
bij alle volken bekend is en vermaard".
Het hofkwartier werd meer en
meer ingesloten door stedelijke bebouwing.
Den Haag was niet langer een dorp bij een kasteel: het door de
Oranjes bewoonde kasteel lag nu binnen een stad in opkomst. Wat Delft
en andere Hollandse Steden al eeuwen vreesden werd nu langzaamerhand werkelijkheid. Zij
werden overschaduwd door Den Haag en vanuit die stad werden zij ook daadwerkelijk bestuurd
door de Staten en de Stadhouders van Oranje.
Stadhouders waren er ook voor
de onafhankelijkheidsstrijd al geweest. Voor hen was de "Soeverein" de Spaanse
Koning geweest. Na de onafhankelijkheidsverklaring was de "soeverein" in de
Nederlanden geen persoon (koning, keizer) meer, maar waren het de Gewestelijke Staten voor
het stadhouderschap en de Staten-Generaal.
De Oranjes dankten hun
stadhouderschap en hun bevelhebberschap over leger en vloot aan de "soeverein"
(Gewestelijke Staten voor het stadhouderschap en de Staten-Generaal.). Zij waren
letterlijk 'stedehouder', dat wil zeggen plaatsvervanger van de "soeverein", en
konen derhalve slechts uit naam van de "soeverein" spreken en
niet als "soeverein".
Zij moesten bij de aanvaarding
van het stadhouderschap een eed van trouw aan de "soeverein" zweren.
Niet de stadhouder was dus in
de Nederlanden de baas, maar de Staten en voor zaken van de Unie de Staten-Generaal. De Verenigde
Staten van Amerika zouden na hun oprichting de machtsstructuur van de Nederlanden
vrijwel letterlijk kopieëren bij het schrijven van hun eigen grondwet. Het is niet voor
niets dat stemmen in de Amerikaanse Senaat en het Congres tot op de dag van vandaag in het
(oud) Nederlands worden uitgebracht.
Frederik Hendrik heeft het
einde van de Opstand niet mee gemaakt. Al heeft het niet veel gescheeld en moet de
uitkomst van de strijd al duidelijk zijn geweest. Frederik Hendrik stierf in 1647, één
jaar voor het eind van de oorlog. Hij werd opgevolgd door Willem II. Deze regeerde echter
maar kort. Hij stierf al in 1650.
Na de dood van Willem II in
1650 werd deze niet direct opgevolgd door zijn zoon. De Staten vertraagden de opvolging
van de Stadhouder. Op zich was dit niet zo gek, want Willem III, de zoon van Mary Stuart
en Willem II werd pas een week na de dood van zijn vader geboren. Nu bleek wel dat het
monarchale karakter van het stadhouderlijke hof niet meer dan schijn was.
Nu werd goed duidelijk hoezeer de 'erf
opvolging' binnen de Oranje dynastie van de gunst van de Staten afhing. Pas in 1672 werd
Willem III tot Stadhouder benoemd. Tussen 1650 en 1672 was er geen "Oranje"
Stadhouder.
Den Haag was een hofstad, maar geen
academiestad. Er werd gedrukt en uitgegeven, maar niet in de zelfde mate en van eenzelfde
wetenschappelijk kaliber als in Leiden en Amsterdam.
Den Haag was ook geen echte handelsstad, al ontbraken handel en nijverheid er niet
EN het was geen doorgangsstad. Voor de Hollanders lag Den Haag wellicht centraal, voor
reizigers van elders lag het in een uithoek, terzijde van alle belangrijke havens en
handelswegen. Dat heeft een grote rol gespeeld bij de ontwikkeling van de Stad.
In feite werden de Noordelijke Nederlanden
ook in de 17e eeuw al gekenmerkt door het geografisch versnipperde aanbod aan
voorzieningen dat ook anno 2000/2008 nog zo typerend/uniek is voor de Randstad. Elke stad
voelde zich er machtig en wilde dat ook graag zijn. Den Haag was een oase van rust waar
voorname lieden door statige lanen reden (koets) of wandelden.
Den Haag had veel profijt van de in het
begin van de eeuw aangelegde Verdedigingsgrachten. Binnen deze grachten
werden in rap tempo meerdere grachten (havens) aangelegd en langs dat water ontstonden
nieuwe woonwijken.
De Veerkaden,
de Paviljoensgracht en de Warmoesgracht (Nu: Gedempte gracht).
Dankzij deze nieuwe grachten bloeide de handel in Den Haag weer op. De rampspoed (begin 80
jarige oorlog) uit de vorige eeuw was bijna vergeten. Ook in Den Haag was nu sprake van
een gouden eeuw.
Gouden Eeuw
Hoofdstad /
Republiek