Den Haag
Hoofdstad van Zuid Holland
Regeringsstad en Residentie

van Nederland

Online sinds 1998

 

Mauritishuis

English Deutsch

Alfabetische Index Nieuw op deze site Rondleidingen Rondvaarten Uitgaan in Den Haag Links


De Geschiedenis van Den Haag

De eerste jaren van de Opstand: 1566-1584 AD

 

 

 

Philips was woedend over de opstand in Valencijn en Doornik. Hij besloot die dwarse Nederlands voor ééns en altijd te laten zien wie de baas was. De hertog van Alva werd op het Paleis ontboden en die kreeg te horen dat hij naar de Nederlanden af diende te reizen. Alva schijnt tegen Philips te hebben gezegd dat hij de situatie binnen 6 maanden onder controle zou hebben. Het laten rollen van enkele koppen zou voldoende zijn om iedere gedachte aan opstand te doen vergeten. In die tijd duurde het voorbereiden van een veldslag echter maanden.
Alva kon pas in 1567 naar de Nederlanden afreizen.
Ingrijpen in de Nederlanden was voor Philips vooral zo belangrijk omdat hij bang was dat zijn grote rijk anders uit elkaar zou vallen. De Italianen (hoewel zeer Katholiek) begonnen zich ook al te roeren.

Pas in augustus 1567 kwam de Hertog van Alva in Brussel aan. Margaretha heeft toen zelf besloten zich terug te trekken. Alva nodigde de Nederlandse edelen uit  voor een gesprek.

De heren van Egmond en Horn gaven gehoor aan de uitnodiging en werden meteen in de boeien geslagen. De andere edelen hadden de list doorzien en bleven ver van Brussel.

De twee Edelen werden door de -door Alva in het leven geroepen Raad van Beroerten- ter dood veroodeeld, en ook daadwerkelijk geexucuteerd samen met 1100 anderen.

Voor Willem van Oranje was het nu tijd voor geweld.
In de Nederlanden was de -betrekkelijke- rust echter weer gekeerd. De hongersnood was voorbij en de meeste Nederlanders hadden het goed. De Gouden Eeuw was begonnen. Veel Nederlanders waren bovendien Katholiek en hadden niets te vrezen van de Spanjaard.

Oranje hoopte echter wel op steun van de bevolking. Zijn broers zouden de Noordelijke Nederlanden binnenvallen, zelf zou hij Brussel proberen te veroveren. De strijd was volgens Oranje trouwens niet gericht tegen de Koning, maar tegen de Hertog van Alva. Als strijdkreet voerde Oranje "Voor de koning, de Wet en het Volk"(pro Rege, lege et grege).


Kort daarna viel de broer van Willem van Oranje (Lodewijk) de (huidige provincie) Groningen binnen. Bij Heiligerlee wisten de troepen van Lodewijk de Spanjaarden te verslaan. Het was 23 mei 1568, we spreken van het officiële begin van de 80-jarige oorlog.

Alva zette meteen een tegenzet. Eerst liet hij een stadskasteel van de heren van Culenborg (in Brussel) afbreken, daarna werden enkele doodvonnisen voltrokken (Van Egmond en Horn) en vervolgens trok hij met een groot leger naar het Noorden. Daar werd het leger van Lodewijk in de pan gehakt. Lodewijk wist te ontkomen. Alva keerde -toch- tevreden terug naar Brussel.
Hij had -door martelingen- vernomen dat Willem van Oranje Brussel wilde aanvallen en begon de verdediging van Brussel te organiseren.

Willem van Oranje trok inderdaad Nederland binnen, met maar liefst 30.000 man.
Dit was echter een huurlingen leger en Alva wist Willem net zo lang door België te laten trekken -steeds een confrontatie uit de weg gaand- dat op een bepaald moment het geld op was en Willem niets anders kon doen dan zijn leger te ontbinden.

Alva voelde zich oppermachtig en riep de Staten-Generaal bijeen.
Niet om te vergaderen, maar om ze mede te delen dat de Nederlanden te maken kregen met een nieuw belastingstelsel.

1. Een eenmalige heffing van 1% op alle bezittingen (een soort vermogens belasting)
2. Een omzetbelasting van 5%, op de verkop van onroerend goed (huizen & landerijen)
3. Een omzetbelasting van 10% ("de tiende penning") op alle roerende goederen.

De zogenaamde tiende penning wekte de meeste woede op. Wellicht zou de opstand voorbij zijn geweest als deze maatregelen niet waren afgekondigd, nu kreeg de opstand een nieuwe voedingsbodem.

Op het water heersten al enige tijd de zogenaamde Watergeuzen. Een losgeslagen groep zeerovers. Die niet alleen de Spanjaarden tot last waren, maar ook regelmatig Hollandse Steden (zoals Den Haag) plunderden. Willem van Oranje hoopte van deze ongeorganiseerde bende een georganiseerde invasie macht te kunnen maken. Hij schonk ze een eigen vlag (Oranje Wit Blauw, de kleuren die in het Wapen van Oranje al voorkwamen) en vroeg ze voor hem te vechten. In die tijd werd ook het Wilhelmus (Nederlands Volkslied sinds 1932) geschreven.

Terwijl Willem van Oranje plannen maakte voor een invasie vielen de Geuzen (met hun Oranje Wit Blauwe vlag) Den Briel binnen. Hoewel ze vaker steden en dorpen waren binnengevallen, om die na plundering weer brandend achter te laten, bleven ze nu. Ze versterkten Den Briel en zette het omringende land onder water, zodat de Spanjaarden de stad niet konden heroveren. Kort daarop hing de bevolking van Vlissingen een paar Spaanse ambtenaren op en vervolgens werden de Geuzen uitgenodigde ook hier naar toe te komen. Dat was nieuw voor ze.

Alva hoorde van deze invallen, maar ondernam niet veel. Spaanse Troepen die achter de Geuzen aan zaten hielden zich meer met plunderingen bezig dan met vechten. Op die manier werd de bevolking van de Nederlanden, die eigenlijk helemaal niet zat te wachten op veranderingen (het ging economisch immers goed), langzaam anti-Spaans en werd de Prins van Oranje steeds populairder. Vooral de plundering van Rotterdam door Spanjaarden zette veel kwaad bloed.

De Watergeuzen, onder leiding van Lumey, maakten zich echter ook schuldig aan plunderingen. Zo zette hij en zijn mannen het gehele dorpscentrum van Den Haag op een kwade dag in brand. Dit soort acties maakte de Geuzen vanzelfsprekend niet erg populair.

Toch begon de strijd zich langzaam ten gunste van de Prins van Oranje te ontwikkelen.
De edelman De la Noue nam de stad Valencijn in, Lodewijk van Nassau veroverde Bergen (in Henegouwen) en Enkhuizen koos vrijwillig de zijde van de Prins. Daarna volgden er meer, zodat de Prins weldra het gehele Holland in handen had. Alleen Middelburg, Goes en Amsterdam bleven Koningsgezind.

In 1572 riep Dordrecht, als oudste stad van Noord Nederland, de Staten van Holland bij elkaar. Dat mocht een stad(sbestuur) officieel niet, maar het gebeurde wel, waarbij men zich beriep op een oude afspraak uit 1477 met Maria van Bourgondië.

Haarlem, Leiden, Gouda, Hoorn, Enkhuizen, Medemblik, Oudewater, Gorkum, Edam, Monnikendam en Alkmaar hadden hun afgevaardigden naar Dordrecht gezonden. Uit Den Haag kwamen twee edelen, Aeart van Duvenvoirde en Jacob van Wijngaarden. Zij allen stelden Willem van Oranje aan als hun stadhouder.

Oranje werd door de Staten van Holland aangewezen als Stadhouder. Ze wilden wel trouw blijven aan de Spaanse Koning, maar af van Alva. De steden die de Prins als Stadhouder aanvaarden verstrekten hem ook geld voor een nieuw invasieleger. De Achterhoek (Gelre) viel in handen van de Prins. Friesland volgde. Roermond viel in augustus, evenals Mechelen. In september viel Leuven en vervolgens Dendermonde.

Alles leek goed te gaan, maar op 23 augustus van dat jaar liet de Franse Koning vrijwel alle Hugenoten in Frankrijk vermoorden. Hij had ze met een list naar Parijs gelokt. Franse steun voor de opstand was in één klap weggevaagd en vervolgens leed de prins enkele gevoelige nederlagen. Leuven en Roermond moesten weer worden verlaten. Willem van Oranje vestigde zich nu definitief in Holland.

Den Haag
De belangrijke Hollandse steden Dordrecht, Haarlem, Leiden, Gouda, Gorinchem, Alkmaar, Oudewater, Hoorn, Enkhuizen, Edam, Medemblik en Monnickendam hadden er dus voor gekozen om de -door de Spanjaarden afgezette- prins Willem van Oranje als enige stadhouder te erkennen (1572) en de opstand met geld te steunen. De grondslag van een gezamenlijk verzet tegen het Spaanse bestuur was gelegd. 

Den Haag kreeg het door die beslissing echter zwaar wel te verduren. Omdat het dorp geen muren, grachten of andere verdedingswerken bezat, volgde de ene na de andere bezetting, beurtelings door de Spanjaarden en de rebelse watergeuzen.

Het Binnenhof was nog redelijk beschermd, het bezat muren, grachten en poorten. Buiten de muren van het Grafelijk kasteel brandde de stad echter diverse malen voor een groot gedeelte 'tot de grond toe' af.

Talloze burgers sloegen op de vlucht, hun goederen bleven onbeheerd achter, en vielen ten prooi aan plunderaars en vandalen.

Huizen werden afgebrand, vernield of werden door de bezetters gebruikt als stal voor de paarden. Nu werd het hebben van verdedigingswerken bittere noodzaak. Er kwamen eenvoudige aardenwallen, schansen en greppels om het hele dorp heen. Het benodigde materiaal werd gevonden in nog de huizen en stadskastelen die nog overeind stonden. Een groot deel van het Grafelijke bos werd eveneens gekapt. Er kwam nooit meer bos voor terug. We kennen dit gekapte gebied thans als het Malieveld.

De bomen die men gekapt had, had men willen  gebruiken voor een wal van hout om Den Haag heen, maar de Spanjaarden wachtten de bouw daarvan niet af, ze kwamen met paarden & wagens en namen al het gekapte hout mee. Dit werd door hen gebruikt bij het beleg van Leiden. De Haagse bevolking moest hulpeloos toezien hoe het materiaal dat voor de eigen verdediging gebruikt had moeten worden aan de horizon verdween.

De rest van de strijd leek in eerste instantie niet zo belangrijk voor de toekomst voor Den Haag van belang was. Als de Spanjaarden zouden winnen, dan was het maar de vraag of Den Haag ooit nog zou worden opgebouwd, als de Opstandelingen zouden winnen kon eigenlijk hetzelfde worden gezegd. Het dorp was rond 1580 één grote rokende puinhoop.

De lokale overheid, en de Staten van Holland waren naar Delft gegaan. Delft had muren en was derhalve te verdedigen. De bevolking was gedecimeerd door slachtpartijen, honger en kou. Wie nog kon was gevlucht. Den Haag was van de ratten.

Het ontzet van Leiden had in wat lucht gegeven. Dit was in 1574, wel was daarvoor de gehele omgeving onder water gezet. De weilanden rond Den Haag waren ook onder gelopen.

Aangezien Den Haag nog een dorp was, waar ook veel landbouwers hadden gewoond was ook dat slecht nieuws. Achteraf is men het er trouwens (100%) over eens dat als het beleg van Leiden slechts één week langer had geduurd, Leiden zou zijn gevallen. De voedselvoorraden waren helemaal op en ook was er geen drinkwater meer. Men was van plan zich over te geven.  In dat geval zou de gehele opstand in 1574 zeker voorbij geweest zijn. Leiden viel echter niet en de opstand ging door.

Spanje zat regelmatig in geldnood. Het kon het salaris van haar eigen legers in de Nederlanden dan niet betalen en dat was in bijna alle gevallen gunstig voor de opstand. In dat soort periodes wisten de opstandige troepen van Oranje weer enkele successen te behalen omdat de Spaanse legers zich niet lieten zien. De geldnood van Philips II ontstond doordat hij meerdere oorlogen tegelijk voerde. De andere oorlogen verliepen trouwens wel zeer voorspoedig. De Turken werden verslagen in een zeeslag en na een veroveringsoorlog in Portugal voegde zijn legers dat hele land toe aan Philips bezit.

De Nederlanders probeerden ondertussen om Willem van Oranje over te halen, Graaf van de opstandige gebieden te worden. Er was niemand die dacht aan een Republiek. Allereerst wilde men de Koning van Spanje helemaal niet afzweren, men wilde alleen van zijn strenge regelgeving en belastingen af. Vervolgens probeerde men andere Europese vorsten over te halen om Koning (of in het geval van Engeland, Koningin) van Nederland te worden. De Europese vorsten waren echter helemaal niet zeker van een goede afloop daar in de Nederlanden en bedankten. Willem van Oranje heeft in 1584 serieus overwogen om inderdaad Graaf van Holland en de andere opstandige gewesten te worden. En toen klonken er geweerschoten in Delft.

Een moordaanslag op de Prins had een fatale afloop.
In 1582 was hij al eens ontsnapt aan de dood. Hij werd getroffen in de kaak en de wonden wilden maar niet genezen. Zijn echtgenote Charlotte de Bourbon redde de Prins door (soms afgelost door de zuster van de Prins) met haar duim de wond dicht te drukken (constant, dag en nacht!). De Prins van Oranje overleefde de aanslag, zijn geliefde vrouw stierf door slaapgebrek en de daarmee samenhangende verminderd weerstand.

Nu troffen de kogels hem in de borst en zakte hij dodelijke gewond in elkaar. Enkele kogelgaten zijn nog te zien in de Delftse Prinsenhof.

Er kwam met deze aanslag niet alleen een einde aan het leven van de Prins, maar ook aan de korte periode van Delft als Regeringsstad van de Nederlanden. De overgebleven Oranjes, verlieten de stad, om na vele omzwervingen (enkele jaren) later weer in Den Haag neer te strijken.

Bestuurders van Delft hadden het Binnenhof met buskruit op willen blazen en ze wilden alle huizen afbreken. De andere steden van Holland wilden echter niet dat Delft te machtig zou worden en ze wezen dit voorstel af. In 1577 gaf de Prins van Oranje aan het Hof van Holland terug kon keren naar Den Haag en aldus geschiedde. In 1578 kwamen ook de Staten van Holland weer in Den Haag bijeen, evenals de Gecommitteerde Raden voor Hollands Zuiderkwartier. Deze gecommitteerde Raden waren vrijwel permanent bijeen en konden zonder bureaucratische rompslomp beslissingen nemen in oorlogstijd.

Enkele jaren later gingen ook de Staten-Generaal in Den Haag vergaderen.
Den Haag was nu definitief het regeringscentrum van Nederland geworden.

In Den Haag zijn drie standbeelden van Willem van Oranje te vinden.

Na de bevrijding van Den Haag

Willem van Oranje (Plein) Noordeinde
Het Plein Paleis Noordeinde Bezuidenhout