Het middeleeuwse kasteel was tot het begin van de 17e eeuw
omgeven door hoge muren. Deze waren in de 14e eeuw gebouwd door de Graaf van Holland (zie geschiedenis). Na de oorlog met Spanje werd Holland onderdeel van
de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (of Provinciën). Het kasteel werd nu
regeringscentrum van een veel groter gebied. De stadhouders
(eerst Maurits, later zijn broer Frederik Hendrik) maakten het Binnenhof tot hun paleis.
Een groot gedeelte van de muren moest wijken voor statige gebouwen
(in de stijl van die tijd).
Ook de oude poorten werden afgebroken. Aan de achterzijde
van het Kasteel had sinds de 13e eeuw een grote moestuin gelegen. Deze tuin werd door de
prins van Oranje verkocht. Hij wilde dat er een plein zou worden aangelegd. Het werd in
1633 opgeleverd. Er moest een comfortable entree naar het binnenhof
worden gemaakt voor voorname (hof-) funcitionarissen die zich aan het nieuwe plein zouden vestigen. De stadhouder had immers zijn paleis op het
Binnenhof.
Om het Binnenhof
ook aan deze zijde af te kunnen sluiten, werden er een jaar later, twee nieuwe, vrijwel
identieke poorten aan die zijde gebouwd, later aangeduid als de Binnen-
(of Midden)poort en de Maurits- (of Grenadiers)poort.
De Mauritspoort is een van de vier poorten die
nog bewaard gebleven zijn (er waren er tot 150 jaar geleden 5 of 6, waaronder de
prachtige Spuipoort). Achter de poort is op de foto hieronder
het Ridderzaalcomplex zichtbaar.
De hekken die voor de poort lijken te staan
horen bij het Mauritshuis, het oude paleis van Prins Johan
Maurits van Nassau-Giesen, voormalig Koning van Brazilië. Tegenwoordig is in dat paleis
het beroemde museum gehuisvest.
De kleine poortjes naast de Mauritspoort zijn
ongeveer 160 jaar oud. Oorspronkelijk (1840) zaten ze in een "één steens" muur
(met aparte voetgangersbrug), later kwamen er echte poorthuisjes. Tot de 19e eeuw kon je
aan deze kant slechts door de Mauritspoort naar binnen.