Kloosters in Den Haag
In 1270, dus al snel na de komst van de Graven van
Holland naar deze regio werd er een kerk gebouwd in Den Haag, dit was de St. Jacobskerk, die later, na de herbouw van 1402-1440 Grote Kerk genoemd zou worden.
De St. Jacobskerk was tot 1402 een eenvoudig houten kerkje.
Om deze kerk heen lagen enkele Rooms Katholieke (nonnen- en
broeder-) kloosters (en Begijn-hofjes). Er lag een relatief groot
klooster aan het eind van de Vlamingstraat.
Het gebouw werd tijdens de 80-jarige oorlog verwoest en op de plaats waar het gestaan had
werden huizen gebouwd die rond 1700 weer afgebroken zouden worden. Het bleef vanaf dat
moment een groot plein (thans : de Grote Markt).
De Kloosterkerk
Een ander groot klooster lag bij het Lange Voorhout.
Het stuk grond waar het op stond is al in 1393 door Graaf
Aalbrecht geschonken aan het Amsterdamse St. Andriesklooster. De Monniken uit Amsterdam
kwamen echter niet naar Den Haag, ze verkochten het land in 1394 aan de Heer Van Arkel.
Hij bouwde er een stadskasteel. Het kasteel van de Graaf was omstreeks 1400 omgeven door
vele andere kastelen. Deze ondertussen allemaal afgebroken. Ook van het kasteel van de
Heer Van Arkel is niets meer over. In 1401 kreeg hij ernstige ruzie met de Graaf en deze
liet al het land van Van Arkel in beslag nemen en de bebouwing die er stond met de grond
gelijk maken. Zo ook het Haagse stadskasteel.
Het stuk grond in Den Haag werd nu aan Dominicaner Paters
uit Utrecht gegeven. Zij besloten er wel een klooster te gaan bouwen. Graaf Aalbrecht
heeft dat Klooster zelf niet meer gezien. Hij stierf in 1404.
In 1574 was het gedaan met het kloosterleven in Den Haag.
De Spanjaarden waren verdreven en de Dominicanen moesten het Voorhout verlaten.
Oorspronkelijk wilden de Staten van Holland klooster en
kerk af laten breken, maar de inwoners van Den Haag protesteerden hier tegen. Ze waren
gehecht aan het mooie gebouw. Er was bij wijze van spreken al sprake van een soort
"Vrienden van Den Haag" en de Kloosterkerk werd al beschouwd als monument. Het
protest was zo hevig dat de Staten van Holland in 1576 besloten dat de kerk en het
klooster mochten blijven staan.
Den Haag was echter zwaar getroffen door de oorlog en er
was een grote behoefte aan bouwmaterialen om beschadigde huizen weer te herstellen of te
vervangen. Klooster en Kloosterkerk stonden leeg en de bevolking begon nu eigenhandig het
Klooster, waarvan men de sloop eerder had weten te voorkomen, af te breken. Men kon de
stenen en het hout goed gebruiken.
De Staten van Holland zagen dit gebeuren en
besloten de Kloosterkerk toen maar in beslag te nemen. In 1588 werd het een grote
paardenstal. De paarden hebben er een jaar gestaan. In 1589 werd het een 'fabriek'. Prins
Maurits wilde dat er kannonnen gemaakt zouden worden. Kanonnen waren in die tijd van Brons
en werden op een speciale manier gegoten.
Er is in 1597 sprake geweest van de aanleg van
een lange gracht over de (latere) Parkstraat en het Lange Voorhout. Er lag al een sloot en die wilde men breder
maken.
De Kanonnen waren zeer zwaar en de paarden die
de wagens waar deze Kanonnen op vervoerd werden hadden het niet makkelijk. De meeste
straten waren immers nog niet verhard. In tijden van droogte waren het mulle zandpaden,
wanneer het regende veranderden ze in modderpoelen.
De gracht is nooit helemaal gegraven,
waarschijnlijk omdat de Kloosterkerk op een hoge zandrug (oude duintop) ligt. Het graven
van een gracht zou een enorm karwij geweest zijn. Wel heeft men over de (latere) Mauritskade
een gracht aangelegd in de richting van de Prinsessegracht. Deze gracht
werd omstreeks 1619 onderdeel van de verdedigingssingel.
Op 3 november 1690 ontplofte het kruithuis,
waardoor het gehele klooster werd vernietigd. De Kloosterkerk zelf bleef -dankzij de dikke
muren- gespaard, maar van het Klooster bleef slechts één muur overeind. Die muur staat
er nu nog steeds.