In het Kort
:
Officieel verstaat men onder het "Binnenhof"
het terrein rond het kasteel en alle
op & om dat terrein (plein) staande (poort)gebouwen, en de Gevangenpoort. Dit ondanks het feit dat de Gevangenpoort
aan het Buitenhof grenst.
Vroege geschiedenis
In november 1229 kocht graaf van Holland Floris IV een landgoed van Vrouwe Meiland van
Wassenaar in de oude Duinen achter Scheveningen, vlak bij
het gehucht Eijk en Duinen. Het landgoed zou volgens sommige bronnen
kort daarvoor geplunderd zijn door enkele roofridders. De Graven van Holland hadden bij
Loosduinen al een jachtslot gehad dat bij een klooster lag. Bovendien verbleven ze
regelmatig in een versterkte woning te 's Gravezande. Floris IV wilde echter
een huis op 'eigen grond'. Sinds 1097 hadden de graven al een woning bij de Plaats, maar Floris IV zocht wellicht een plaats die beter te
verdedigen was.
Tussen 1230 en 1234 liet Floris de oude Hoeve van vrouwe
van Meiland van Wassenaar ombouwen tot een klein kasteel (Donjon), waarbij mogelijk van de
oudere bouwresten gebruik gemaakt werd. Om het gehele terrein werden wallen van aarde en
hout opgeworpen. Namen als Fluwelen Burgwal, Lutherse Burgwal en Gedempte Burgwal
herinneren ons aan de afmetingen van dit terrein. Een dorp was er nog niet. Alleen deze
hoeve in het bos.
Nadat de zoon van Floris IV, Willem II
tot Roomskoning van het Duits-Romaanse rijk was gekroond (1248) zette deze de bouw
voort.
Graaf Willem II had enkele militaire successen behaald in
(het huidige) Duitsland en zou door de Paus tot keizer gekroond worden. Daarom wilde hij
een indrukwekkend paleis hebben in zijn 'geboorteland' Holland. Kiezen voor één van de
bestaande steden zou tot jaloersie hebben geleid van de andere steden. Daarom besloot
Willem II wijzelijk tot de bouw van een paleis in het bos. Het moet in die tijd tot vele
gefronste wenkbrouwen hebben geleid.
Voordat de kroning plaats zou vinden, wilde Willem de oude
vijanden van Holland, de West-Friezen, nog even een gevoelige nederlaag toebrengen.
Hij zou er dan als keizer geen last meer van hebben. Hij had beter kunnen wachten, want
Willem verloor niet alleen de slag, maar ook zijn leven. [zie Geschiedenis]
Holland heeft vervolgens nooit een Keizer voortgebracht.
Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld Luxemburg, dat diverse
keizers heeft 'geleverd'.
De bouw van het kasteel werd
voltooid onder Graaf Floris V, de zoon van Willem II. Het kasteel bestond toen uit een
woongedeelte (Rolgebouw) en een grote zaal (de Ridderzaal). Vanaf
dat moment gold het als de residentie van de graven van Holland. Het stond aan de
hofvijver en was omgeven door muren en slotgrachten.
Het ommuurde en omgrachte terrein waarop dit grafelijke
paleis stond, grensde aan de westzijde aan een voorhof (het Buitenhof)
met de stallen en andere gebouwtjes, dat vanuit het noorden alleen bereikbaar was via een
poort (Gevangenpoort). Aan de oostzijde grensde het terrein aan
een gebied met moestuinen (tegenwoordig het Plein) en het Haagse Bos.
Nadat de familie-tak van Floris IV uitstierf kreeg Holland
graven uit het graafschap Henegouwen. Deze Henegouwse graven maakten in het begin van de
14e eeuw nauwelijks gebruik van het paleis. Uit die tijd is dan ook niet veel bekend van
Den Haag en het Haagse Hof. Het kasteel zal aan verval onderhevig geweest zijn. Regen,
wind, zon en vorst zullen hun tol hebben geeist evenals plantengroei.
Albrecht van Beieren en
diens opvolger, Willem IV, woonden vrijwel permanent op het Binnenhof. Vooral Graaf
Albrecht lijkt van groot belang geweest voor de ontwikkeling van veel Hollandse Steden. Wanneer je de geschiedenis van grote Hollandse Steden (maar
ook bijvoorbeeld Noordwijk, waarvan hij de Stadsrechten afnam)
bekijkt blijkt vaak dat Albrecht de aanzet/toestemming heeft gegeven tot voor die
steden belangrijke ontwikkelingen. Ongetwijfeld heeft dat ook met de tijd te maken gehad.
De steden begonnen door een steeds beter wordend economisch 'klimaat' te groeien.
Door de graven Albrecht en Willem IV werd het Binnenhof
complex aanzienlijk uitgebreid, waardoor het Binnenhof langzamerhand geheel door bebouwing
omgeven raakte. Toen Holland in 1433 deel ging uitmaken van het Bourgondische rijk,
verloor het grafelijke paleis zijn eigenlijke functie, waarna het wederom langzaam
verviel.
[Meer over Albrecht en de andere graven : Geschiedenis]
Steden in de Nederlanden waren machtig. Het werden er ook
steeds meer. Aangezien de graaf niet in iedere stad te gelijk kon zijn hadden de graaf
(van Holland, maar ook andere gebieden in het huidige Nederland & België) reeds in de
13e eeuw zgn "stadhouders" in dienst. Zij waren plaatsvervangers van de graaf.
De titel "Stadhouder" bleef ook bestaan toen de graaf niet langer uit Holland
kwam, maar uit Henegouwen en ook na die periode. Toen er na Willem IV geen graaf meer op
het Binnenhof woonde (Middelburg in Zeeland was nu "residentie" werd een deel
van de bebouwing langs de Hofvijver permanent voor de Stadhouders
ingericht. Dit bleef ook zo tijdens de Spaanse Periode en de jaren van de Republiek.
Stadhouders waren nu geen vervangers meer van een graaf, maar eerst van de Koning van
Spanje en later van de Republikeinse Regering (Staten van Holland & Staten Generaal)
In 1585 vestigde prins Maurits zich in het Stadhouderlijk
Kwartier en in hetzelfde jaar werd het Binnenhof de zetel van de Staten-Generaal. De onder
Maurits uitgevoerde verbouwing en uitbreiding van het Stadhouderlijk Kwartier (met o.a. de
Mauritstoren) was het begin van een langzaam voortschrijdende
gedaante- wisseling van het Binnenhof, die met de bouw van de zuidvleugel onder Stadhouder
Willem V voorlopig een einde vond.
Poorten
Het Binnenhof is via een aantal poorten bereikbaar: vanuit
het westen, vanaf het Buitenhof, door de Stadhouderspoort,
vanuit het zuiden, vanaf de hofsingel, door de Hofpoort en vanuit het oosten door de bij
het Mauritshuis staande Mauritspoort.
Op het Binnenhof zelf staat tegenwoordig nog de Binnen- (of Midden)poort, die de verbinding vormt
tussen de bebouwing aan de noordzijde en de Ridderzaal. De Buitenhofzijde van de
Stadhouderspoort is een kopie van de oorspronkelijke zandstenen poortboog uit 1550, die
thans in de tuin van het Amsterdamse Rijksmuseum staat. De Maurits- en Binnenpoort stammen
beide uit 1634, terwijl de Hofpoort van het einde van de 18e eeuw dateert. Tot circa 140
jaar geleden bevondt zich aan de zuid-oost zijde nog een prachtige toegangspoort, de
zogenaamde Spuipoort, compleet met torens. Deze is echter in de
jaren 60 van de 19e eeuw afgebroken. Ook een kleine poort naast de Ridderzaal bij de
"keukenhof" is verdwenen.